Het grootste deel van de akkergrond in Friesland wordt gebruikt voor snijmais. Op de tweede plaats staat de teelt van pootaardappels en consumptieaardappels en de derde plaats graan, met name wintertarwe en zomergerst. In 1990 was mais nog lang niet zo belangrijk, toen werden er vooral aardappels verbouwd.
De wadden en de kwelders waren voor boeren die op de zandgronden leefden in de eeuwen voor het begin van onze jaartelling een aantrekkelijk gebied om vogels, vissen en zeehonden te vangen. Rond 700 v.Chr. stopte op veel plaatsen de afzetting van nieuwe klei op de kwelders. Dit betekent dat het land zo hoog was geworden dat de zee er mindern invloed op had. Het duurde vervolgens nog enkele eeuwen voordat deze gronden echt als landbouwgrond gebruikt werden. Om zich tegen het water te beschermen, gingen de inwoners terpen bouwen.