Aan de rand van de Waddenzee ligt Noard Fryslān Būtendyks, een buitendijks gebied ten noordoosten van Het Bildt. Het gebied bestaat uit zomerpolders die begraasd worden, kwelders waarvan het hoge deel begraasd wordt en onbegroeide slikvelden die bij vloed onder water lopen. Een groot deel van het gebied is minder dan 100 jaar oud en is ontstaan als het resultaat van intensieve landaanwinningwerken in de jaren '30 van de twintigste eeuw. Het land ontstond door ophoging van de kwelders met slib. Het slib werd ingevangen door de snelheid van het water af te remmen met behulp van rijsdammen gemaakt van palen en rijshout (vaak wilgetakken) en sloten met haakse bochten.
Het gebied is jarenlang inzet geweest van een belangenstrijd tussen landbouw en natuurbescherming. Toen de dijken op deltahoogte moesten worden gebracht in het kader van de Deltawet, heeft er een uitvoerige discussie plaatsgevonden over de plaats van de nieuwe dijk. De nieuwe dijk zou over de noordelijke begrenzing van de landaanwinningwerken kunnen komen te liggen, of de bestaande dijk zou opgehoogd moeten worden. In het eerste geval was er duizenden hectares aan landbouwgrond beschikbaar gekomen. In het tweede geval werd er meer natuurgebied behouden. Uiteindelijk is voor de laatste optie gekozen. In 1993 is de operatie voltooid.
Noard Fryslān Būtendyks is van groot belang voor broedvogels en voor trekvogels en wintergasten zoals eenden en ganzen. De kweldervegetatie bestaat onder meer uit zeeaster, zoutmelde, slijkgras en zeekraal. In de broedtijd is het gebied gesloten (1 april-15 juli), behalve de Zeedijk en een wandelroute.
In september 2001 zijn gaten gemaakt in de kade van de zomerpolder in Noard Fryslān Būtendyks, zodat eb en vloed weer vrij spel kregen in het voormalige landbouwgebied. Het doel is om kweldervorming in gang te zetten.