Content on this page requires a newer version of Adobe Flash Player.

Get Adobe Flash player

 

Zoek in de Encyclopedie

Dieren en planten

Water en land

Friese wadkust   Waterbeheer    

Mens en Milieu

Sluisje bij Holwerd, Friesland, Ecomare

Waterbeheer in Friesland

Het waterbeheer van Friesland valt sinds 2004 onder één organisatie, het Wetterskip Fryslân. De grootste zorg voor de toekomst is de zeespiegelstijging, waardoor het lozen van water in zee bemoeilijkt wordt. In de 10e eeuw ontstond de eerste vorm van waterbeheer toen ringdijken aangelegd werden, die dorpen met land eromheen tegen het zeewater moesten beschermen. Het overtollige zoete water moest uit de polders geloosd kunnen worden.

  • Poldergemalen

    Het overtollige zoete water wordt in Friesland met hulp van 800 poldergemalen uit de polders in de Friese boezem gepompt. De belangrijkste afvoerweg van het boezemwater loopt door de sluizen bij Harlingen en bij Dokkumer Nieuwe Zijlen. Uiteindelijk komt het water in de Waddenzee terecht, wat nu nog onder 'vrij verval' gebeurt, dat wil zeggen door de zwaartekracht. Daarnaast kan water op het IJsselmeer geloosd worden via gemalen, die water omhoog pompen. Omdat de zeespiegel stijgt wordt in Friesland nagedacht over extra gemalen die het water weg kunnen pompen. Ook het verhogen van het zomerpeil helpt. Andere uitdagingen voor Friesland vormen de bodemdaling door bijvoorbeeld gaswinning, waardoor het land daalt en dus dijken hoger moeten komen te liggen. Ook verzilting van de bodem is een punt van zorg.

  • Kaderrichtlijn water

    Om de oppervlaktewateren in een goede ecologische en chemische toestand te krijgen, is de Europese Kaderrichtlijn Water ontworpen. Om aan de richtlijn te voldoen, moet er in Friesland vooral aandacht worden besteed aan eutrofiëring door land- en tuinbouw, belasting van het oppervlakte en grondwater door riooloverstorten, emissies van zware metalen en PCB's, en verontreiniging van grondwater door nutriënten en bestrijdingsmiddelen.

  • Van terpen naar polders

    De eerste bewoners van de waddenkust in Friesland leefden op terpen. Later werden de terpen verbonden door dijken, zodat er veilige verbindingen ontstonden. Pas in de 9e en 10e eeuw zijn de eerste echte dijken aangelegd waarmee het land beschermd werd tegen de zee. In Westergo werden in de 10e eeuw de eerste ringdijken gemaakt rond polders, die beheerd werden door dorpen en grietenijen, de voorlopers van gemeenten. De ringdijk rond Pingjum in Friesland is een mooi voorbeeld van zo'n vroege dijk. Hij staat bekend als de Pingjumer Halsband of de Gouden halsband. Deze ringdijken werden later met elkaar verbonden, zodat grotere gebieden tegen de zee beschermd werden. Rond het jaar 1000 werd ook om de Middelzee, een inham van de Waddenzee, een dijk opgeworpen om het achterliggende land tegen het water te beschermen.
    Het onderhoud van de dijken was in eerste instantie persoonsgebonden. Hoe groter het stuk land dat een boer in bezit had, hoe meer dijk hij moest onderhouden. Hij moest daarvoor opgeven hoeveel land hij bezat. Bleek bij een controle dat hij te weinig opgegeven had, dan werd dat afgepakt. Ook kwam het nogal eens voor dat een boer de kosten van het dijkonderhoud niet vond opwegen tegen de opbrengsten van het land. Ook dan verviel het land weer aan de meende of aan de kerk, die het land opnieuw kon toewijzen.

  • Het eerste waterbeheer

    Om het overtollige zoete water binnen de polders kwijt te raken werden eerst de al bestaande kreken en slenken gebruikt. Een deel van de geulen werd afgedamd en een ander deel werd voorzien van sluizen die het zeewater keerden en het overtollige zoete water afvoerden. In de Middeleeuwen werden deze natuurlijke geulen verdiept en verbreed. Een belangrijk deel van de afwatering in Friesland was gericht op de Middelzee, destijds een inham van de Waddenzee. Via sluizen in de dijk werd het overtollige water in de Middelzee geloosd. Na de afsluiting van de Middelzee in de 16e en 17e eeuw werden nieuwe vaarten gegraven of oude kreken verder uitgediept, zodat het water een alternatieve weg vond. Pas in de tweede helft van de 20e eeuw zijn veel wateren in Friesland ten behoeve van de scheepvaart met elkaar verbonden door kanalen en vaarten.

  • De opkomst van windmolens

    Vóór de opkomst van windmolens in de polders werd het waterniveau voornamelijk geregeld met behulp van sluizen. Er kon alleen water geloosd worden in de boezem als het waterpeil buiten de polder lager lag. Rond 1500 kwamen er windmolens in Friesland, die geschikt waren om water op te pompen. Lager gelegen gebieden konden nu ook tot polders omgevormd worden. In elk van de polders konden de boeren hun eigen polderpeil instellen, waardoor de waterstand ook op kleinschalig niveau goed gereguleerd kon worden. In Friesland zijn in de loop der tijd naar schatting 1500-2000 windmolens gebouwd.

  • De Friese Boezem

    Door de toename van het aantal polders die allemaal afgewaterd moesten worden, kreeg de Friese boezem in de loop van de tijd steeds meer water te verwerken. Tegelijkertijd werden juist natte gebieden ingepolderd, waardoor de boezem uiteindelijk steeds kleiner werd. Er ontstond ruimtegebrek voor het water. Daarom zijn er veel sloten, vaarten en kanalen gegraven om voor een goede afwatering te zorgen. De Friese boezem bestond oorspronkelijk uit verschillende eenheden. Zo was het waterpeil in Oostergo onafhankelijk van dat van Westergo. In de 19e eeuw zijn de boezems met elkaar verbonden, zodat de scheepvaart geen last meer had van de zijlen.

  • Stormvloeden

    In de loop van de eeuwen zijn de zeedijken in Friesland diverse keren bezweken door stormvloeden, die soms duizenden doden veroorzaakten. De rampen werden onder andere veroorzaakt door de onwil van de bewoners om actief dijken te onderhouden en te herstellen. Een bekende stormvloed was de Allerheiligenvloed van 1570. Zeker is dat in Friesland toen 2892 mensen zijn verdronken, hoewel er -waarschijnlijk overdreven- schattingen zijn van wel 20.000 slachtoffers. Het water bereikte hoogtes tot 3,85 meter boven NAP, waardoor bijna heel Friesland onder water kwam te staan. Omdat het zoute water niet meteen weg stroomde, werd de grond zout en mislukten de volgende oogsten. Na de kerstvloed van 1717 werd de dijken opgehoogd en werd de persoonlijke dijkplicht afgeschaft om plaats te maken voor een gemeenschappelijke onderhoudsplicht. In 1825 was het weer raak. De noodzaak tot versterking en ophoging van de dijken was duidelijk. Na 11 jaar arbeid waren de zeedijken in 1888 op een redelijk veilige hoogte gebracht, waardoor er tijdens de watersnoodramp van 1953 geen ernstige overstromingen hebben plaatsgevonden. Tegenwoordig zijn de dijken op deltahoogte gebracht.