De eerste serieuze plannen over de afsluiting dateren uit 1849. Het grootste probleem van dit plan, net als van nieuwere plannen, was het verschil van 30 centimeter in het afwateringspeil tussen Friesland en Groningen. Door dit probleem en andere moeilijkheden werden deze plannen niet uitgevoerd.
In de jaren dertig van de vorige eeuw was de Nederlandse Staat begonnen met landaanwinings-werkzaamheden, om zo meer banen te scheppen. Voor de Lauwerszee werd een commissie ingesteld die moest gaan onderzoeken of, en zo ja, hoe, de Lauwerszee het best kon worden afgesloten. De commissie kwam met verschillende plannen, maar die verdwenen uiteindelijk allemaal in de la.
De stormvloed van 1953 en de kerstvloed van 1954 bliezen de plannenmakerij nieuw leven in. Men vond nu, in tegenstelling tot vroegere plannen, dat de veiligheid verhoogd moest worden en dat daarom de lengte van de kust zo kort mogelijk gemaakt moest worden. Want dan was de kans op een nieuwe dijkdoorbraak immers het kleinst.
Met de komst van de nieuwe Deltawet in 1958 werd onder meer besloten dat de dijken in het noorden van Nederland versterkt moesten worden. Wat betreft het Lauwerszeegebied had Rijkswaterstaat de keuze uit twee mogelijkheden; een 13 kilometer lange afsluitdijk aanleggen of de bestaande 32 kilometer dijk rond de Lauwerszee opknappen en op Deltahoogte brengen. Na studie bleek dat de afsluiting van de Lauwerszee een betere afwatering en landwinst tot gevolg zouden hebben, maar dat deze oplossing ook het duurst was. De regering koos daarom voor de goedkopere tweede mogelijkheid; het opknappen en verhogen van de bestaande dijken.
Tegen dit besluit kwam veel verzet van de bevolking uit de omgeving. Het actiecomité' "Lauwerszee" verzamelde 135.000 handtekeningen van mensen die juist voor de afsluiting van de Lauwerszee waren. In Leeuwarden werd een massale bijeenkomst gehouden om duidelijk te maken dat men het niet eens was met de plannen van de regering. Uiteindelijk ging de regering overstag en besloot op 10 juni 1960 de Lauwerszee af te sluiten door het leggen van een afsluitdijk, op voorwaarde dat de provincies Groningen en Friesland ook mee betaalden. Daarnaast moesten de provincies voor het onderhoud zorgen als de dijk er eenmaal lag én hoefde de staat niet financieel bij te dragen aan de inpoldering van nieuw land binnen de aangelegde dijk. Met deze voorwaarden gingen de beide provincies akkoord waarna de beste manier van afsluiting bestudeerd werd.