Voor 1959 lag op de plaats van de huidige stuifdijk een grote zandvlakte waar kleine duintjes ontstonden. Vlak voor 1959 deed zich op het strand een probleem voor. De watergeul (slenk) aan de kant van de Waddenzee en de kwelder bij paal 11 drong steeds verder op naar de Noordzee. Het strand tussen paal 10 en paal 11 verlaagde zich. Men vreesde voor het ontstaan van een slufter op die plaats, waardoor het eiland misschien in tweeën zou breken.
Van 1959 tot 1962 heeft Rijkswaterstaat hier stuifschermen aangelegd waardoor een stuifdijk, een kaarsrechte duindijk, ontstond met een lengte van 6 kilometer, van paal 7 tot 13. Men heeft zelfs geprobeerd de dijk door te trekken tot paal 16. Dit omdat er een plan was de gehele Waddenzee in te polderen.
In 1968 sloeg de Noordzee bij storm en springtij een flink gat in de stuifdijk ter hoogte van paal 10.4. Het gat bij paal 10.4 werd meerdere malen hersteld, maar het is nooit gelukt om het lang dicht te houden. Bij paal 11 werd de geul (slenk) in de kwelder vanuit de Waddenzee dieper en brak ook door de stuifdijk.
Rijkswaterstaat vond het daarna niet nodig het deel van de dijk ten oosten van paal 10.4 te onderhouden. Vanaf de jaren tachtig is Rijkswaterstaat helemaal gestopt met het onderhoud aan de dijk voorbij paal 10.4. Het werd voortaan 'dynamisch gehandhaafd'. Dit betekent dat alleen wordt ingegrepen als bijvoorbeeld het eiland in twee stukken dreigt te breken. Verder wordt de dijk ten oosten van paal 10.4 aan wind en water overgelaten. Het gedeelte ten westen daarvan wordt nog steeds onderhouden als extra bescherming van het eiland tegen de Noordzee.