Content on this page requires a newer version of Adobe Flash Player.

Get Adobe Flash player

 

Zoek in de Encyclopedie

Dieren en planten

Water en land

Mens en Milieu

Mens en milieu   Lozen en storten   Baggerspecie   Olielozingen    

Lozen en storten

Vele jaren lang hebben grote steden en industrie- en landbouwgebieden grote hoeveelheden afval geloosd op de Noordzee, direct via leidingen en afvaldump- en/of verbrandingsschepen of indirect via rivieren en de wind. Hoewel de laatste jaren een aanzienlijke vermindering is opgetreden en verbranding op zee is gestopt, komen er nog steeds grote hoeveelheden niet-natuurlijk afval in de Noordzee terecht. Ook wordt de zee met voedingsstoffen, die van nature voorkomen, overbelast waardoor algenplagen kunnen ontstaan.

  • Verbod

    De OSPAR-conventie van 1992 zorgde voor een verbod op het lozen van het meeste afval en andere stoffen. Alleen baggerspecie, afval van visverwerking, onschadelijk materiaal van natuurlijke oorsprong, vliegtuigen en schepen mochten nog wel in zee worden gedumpt. Vanaf 1 januari 1999 mag rioolslib niet meer in zee worden geloosd. Alleen Noorwegen en Engeland lozen natuurlijk materiaal, en die hoeveelheden nemen sterk af (300.000 ton in 1994 was minder dan 10% van de geloosde hoeveelheid in 1990). IJzeren en stalen scheepswrakken mogen niet meer worden afgezonken, en vanaf 2004 geldt dat verbod voor alle schepen. Afgedankte booreilanden moeten in principe worden verwijderd, maar de onderwaterconstructies van stalen booreilanden die meer dan 10.000 ton wegen mogen onder bepaalde voorwaarden blijven staan, net als die van betonnen eilanden. In alle gevallen moeten vervuilende stoffen van de installaties worden verwijderd.
    De voortplanting van vissen, vogels, slakken en zoogdieren wordt verstoord door in het water opgeloste "hormoonontregelaars". Hormoonontregelaars zijn stoffen die de werking van geslachtshormonen bij mens en dier nabootsen en zo de natuurlijke balans verstoren. Voorbeelden van hormoonontregelaars zijn: TBT, PCB's, dioxinen en organische chloorverbindingen. In Nederland liggen (als gevolg van de hoge bevolkingsdichtheid, de intensieve landbouw en de ligging van het land aan de monding van drie grote Europese rivieren) de concentraties van deze stoffen in het oppervlakte- en kustwater hoger dan elders in Europa.

  • Vervuiling via de rivieren

    Behalve water worden door de rivieren ook slibdeeltjes, voedingsstoffen en verontreinigingen geloosd op de Noordzee. De aanvoer van zoet water via de rivieren schommelt zowel per seizoen als per jaar. Deze schommeling beïnvloedt het zoutgehalte van de kustwateren. De slibaanvoer via de rivieren is wat hoeveelheid betreft veel minder dan wat via de Atlantische Oceaan wordt aangevoerd. Echter het rivierslib evenals het water zelf was vaak flink verontreinigd met allerlei vervuilingen, zoals zware metalen.

  • Afvalverbranding op zee

    Van 1969 tot 1992 werd op de Noordzee chemisch afval verbrand. Per jaar ging het om honderdduizend ton vloeibaar afval met gevaarlijke organische chloorverbindingen, afkomstig van de chemische industrie.
    Men verbrandde op zee voornamelijk afvalstoffen die bij verwerking op het land grote risico's met zich mee brachten in de toenmalige verwerkingsinstallaties. De verbranding van organische chloorverbindingen levert onder meer zoutzuurgas op. Bij verbranding op het land zou dit gas zeer schadelijk zijn voor het milieu en voor de volksgezondheid. Op zee wordt zoutzuurgas door het zeewater snel geneutraliseerd.
    De verbrandingsschepen, zoals de Vulcanus en de Vesta, waren uitgerust met identieke verbrandingsovens. De verbranding van het afval vond plaats bij temperaturen van 1300 tot 1400 graden Celsius. Toch bleef er altijd afval over dat niet verbrandde of werden er nieuwe stoffen gevormd in de rookpluim. De verbranding van het afval op zee vormde zo een aanzienlijke bron van vervuiling van het zeemilieu. Greenpeace en andere milieuorganisaties hebben daarom jarenlang actie gevoerd tegen de verbranding.
    Op de Derde Noordzee-conferentie in 1990 kwamen de ministers van de Noordzeelanden overeen om het verbranden van afval op de Noordzee te verbieden per 31 december 1991. Op 23 juni 1990 werd dit besluit door de OSPARCOM overgenomen, zodat het verbod ging gelden voor het hele Noordoost-Atlantische zeegebied.
    Nederland stopte al in augustus 1989 met het verbranden van Nederlands afval op zee.