De eerste zekere melding van haringvangst op de Noordzee dateert uit 1163. Het is vrijwel zeker dat dit een vorm van drijfnetvisserij geweest moet zijn. De glorietijd van de haringvisserij zette in met de ontdekking van het haringkaken omstreeks 1395. Dit is het direct aan boord schoonmaken en inzouten van de vis. Vanaf die tijd was de met vleten gevangen Noordzeeharing eeuwenlang één van de belangrijkste eiwitbronnen voor de minder welgestelde Nederlanders. Hollandse haring werd ook een belangrijk exportartikel. In het midden van de 17e eeuw bestond de Hollandse haringvloot uit ongeveer 700 haringbuizen. Deze grote zeilende vissersschepen hadden als voornaamste thuishavens Brielle, Vlaardingen, Maassluis, Rotterdam, Delfshaven, Enkhuizen en de Rijp.
Ook andere Noordzeelanden visten op de Noordzee met behulp van drijfnetten op haring. Pas ná 1945 kwam er een einde aan de vleetvisserij op deze vissoort. Toen kwamen er steeds meer moderne schepen met pelagische trawls in de vaart. De sleepnetten van deze schepen worden vrij in de waterkolom voortgetrokken. De visserij met hektrawlers kost veel minder arbeid dan de vleetvisserij. Daardoor werd de investering in de pelagische trawlvisserij steeds aantrekkelijker. In 1969 werd er voor het laatst op de Noordzee met een vleet op haring gevist.