Een uitwateringssluis moet overtollig binnenwater afvoeren (bij laagwater) en buitenwater tegenhouden (bij hoogwater). Bekende uitwateringssluizen zijn die in de Afsluitdijk bij het IJsselmeer. Het IJsselmeer wordt constant gevoed met zoet water vanuit de IJssel, de Vecht en de Eem en door regenwater. Om overtollig water weg te kunnen laten lopen wordt water gespuid als het in de Waddenzee laagwater is. In de Afsluitdijk zijn in totaal 25 uitwateringssluizen aangelegd. Volgens hetzelfde principe wordt er bij Lauwersoog water uit het Lauwersmeer in de Waddenzee gespuid. Andere uitwateringssluizen vind je in polders die in rivieren of in de zee lozen. Voor de waterhuishouding zijn uitwateringssluizen veruit het belangrijkste type sluis.
In Groningen en Noord-Overijssel heet een sluis een zijl. Vaak gaat het om uitwateringssluizen die water in zee lozen en hoogwater keren. Veel plaatsnamen danken hun naam aan zo'n sluis, zoals Delfzijl, Termunterzijl, Noordpolderzijl en Dokkummer Nieuwe Zijlen. In het Fries heet een sluis een een syl. In Oost-Friesland (Duitsland) eindigen om dezelfde reden veel plaatsnamen op -siel, zoals Bensersiel, Harlesiel en Neuharlingersiel.
Een uitwateringssluis die onder de dijk doorduikt heet een duikersluis. Met laagwater kan de sluis water lozen en met hoogwater wordt hij gesloten. Deze duikersluizen zijn in Nederland al bekend uit de Romeinse tijd, toen ze bestonden uit een uitgeholde boomstam met een klep ervoor, waardoor het water er wel uit maar niet in kon stromen. In Friesland wordt het woord 'pomp' gebruikt voor een duikersluis.