Content on this page requires a newer version of Adobe Flash Player.

Get Adobe Flash player

 

Zoek in de Encyclopedie

Dieren en planten

Water en land

Landschappen   Brakwatergebieden   

Mens en Milieu

Brakwatergebied (inlaag in Zeeland), Foto Fitis, www.fotofitis.nl

Brakwatergebieden

Een brakwatergebied kenmerkt zich door menging van zoet water en zeewater. Het mengen kan zowel binnendijks als buitendijks optreden. Het zoutgehalte van brak water kan variëren van een halve gram per liter tot 30 gram per liter. Water met minder dan een halve gram zout per liter wordt als zoet beschouwd. Kenmerkende soorten dieren en planten voor een brakwatergebied zijn de bot, de aasgarnaal, de driedoornige stekelbaars, zeekraal en zeeaster.

  • Mix van zoet en zout

    Zeezout bestaat vooral uit chloor en natrium. Het zoutgehalte van water wordt meestal uitgedrukt in de hoeveelheid chloor. Zoet water bevat 0 tot 200 milligram chloor. Brak water bevat 200 tot 1000 milligram chloor en zeewater meer dan 1000 milligram chloor.
    Zeewater en zoet water kunnen op twee manieren vermengd worden. Door de getijdenbeweging dringt zeewater de rivierarmen binnen en komt het in aanraking met zoete rivierwater. Buitendijkse zones met brak water zijn het gevolg. Soms, als er sprake is van veel aanvoer van rivierwater en weinig aanvoer van zeewater, zijn de zones heel groot. In het waddengebied zijn bijvoorbeeld de Dollard en de Jadebusen voor een belangrijk deel brak, en ook de hele Oostzee is gevuld met brak water. Ook binnendijks kunnen brakke wateren voorkomen. Doordat wegzakkend zout water als kwelwater elders aan de oppervlakte komt, kan dit met binnendijks zoet water mengen.

  • De brakke grond
    Zeekraal en schorrenkruid (brakwatergebied), Foto Fitis, www.fotofitis.nl

    Landbouwgewassen kunnen slecht tegen zout of brak grondwater. Als er spake is van indringend zout grondwater in een landbouwgebied langs de kust spreekt men dus van ongewenste verzilting en zullen de waterbeheerders proberen de zoute kwel tegen te gaan. De beheerders van natuurgebieden langs de kust zien juist graag behoorlijk wat zout grondwater in hun terrein, omdat zich in die brakke omstandigheden een zeldzame vegetatie kan ontwikkelen.
    In binnendijkse brakwatergebieden kunnen boeren dus niet altijd telen wat ze willen. De meeste gewone landbouwgewassen kunnen niet tegen zout water. Maar er zijn er ook soorten die juist brakke omstandigheden nodig hebben om te groeien. Deze soorten worden de zilte zeegroenten genoemd. Zeekraal en zeeaster zijn daar voorbeelden van.

  • Huidige brakwatergebieden

    De deltawateren waren van oudsher voor een belangrijk deel brakwatergebied. Door de Deltawerken zijn veel van deze gebieden of zoet of zout geworden. Het Veerse Meer, de Grevelingen en delen van de Westerschelde zijn nu nog brak. De Oosterschelde en het Haringvliet niet meer. In Zuid Holland zijn de brakke gebieden beperkt tot binnendijkse gronden op Goeree Overflakkee, Voorne Putten en in de Hoeksche Waard. Brabant heeft enkele brakwatergebieden op de grens met Zeeland. Vroeger was de Biesbosch ook brak. In Noord Holland is binnendijks brak water te vinden achter de Hondsbosse Zeewering, in de Wieringermeer en op Texel. De overige waddeneilanden, Friesland en Groningen hebben nog enkele binnendijkse brakke gebieden. De Dollard is een groot buitendijks brakwatergebied. De Zuiderzee was vroeger één groot brakwatergebied.

  • Uitbreiding brakwatergebieden gewenst

    Op een workshop op 17 september 1997 presenteerde het RIKZ een studie naar de mogelijkheden voor uitbreiding van het brakwater-areaal in Nederland. Dit naar aanleiding van het rapport 'Tussen Zilt en Zoet'. Alle aanwezigen waren het erover eens dat de uitbreiding van dat areaal gewenst is met het oog op de verrijking van de natuur in de Nederlandse kustgebieden. Het rapport wijst geen locaties aan waar de uitbreiding zou moeten plaatsvinden. Wel is er een discussie opgestart over de vraag of het areaal moet worden uitgebreid binnen de grenzen van het huidige waddengebied, of gezien moet worden als een uitbreiding van het waddengebied ten koste van huidig cultuurland. Deze discussie wordt vooral via de Interwad-site op Internet gevoerd.
    Parallel hieraan loopt de discussie over de vraag of ook de harde zoet-zoutovergang tussen de Oosterschelde en het Krammer-Volkerak kan worden aangepakt. Door de aanleg van de Volkerak- (1969), Oester- en Philipsdammen (1987) kan er geen Maas- en Rijnwater meer in de Oosterschelde komen. Dit is indertijd gedaan om het gebied te beschermen voor het sterk vervuilde rivierwater. De Oosterschelde veranderde daarmee echter van een riviermonding (met een geleidelijke overgang van zoet, via brak naar zout water) naar een permanent zoute zeearm. Onderzoek en modelstudies van het RIKZ en het RIVO (uit 1998) tonen aan dat de natuurlijke kwaliteit en de productiviteit van de Oosterschelde aanzienlijk vooruit zouden gaan als er weer sprake zou zijn van een hernieuwde doorstroming van zoet water. Enkele typische zee-soorten zullen uit het brakke deel verdwijnen, maar voor het merendeel zal de bestaande fauna, inclusief schelpdierbestanden, behouden blijven. Men verwacht een herstel van de zeegrasvelden en, door de aanvoer van meer voedingsstoffen, een toename van de hoeveelheid schelpdieren en dierlijk plankton. Met name de functie als kinderkamer voor jonge vis zal worden versterkt.
    Een probleem bij een eventueel verhoogde doorvoer van zoet water door de Oosterschelde is de kwaliteit van het Maas- en Rijnwater. Deze is nu zo nog steeds zo slecht dat het niet verantwoord lijkt om meer rivierwater uit het Volkerakmeer (via het Zoommeer) of het nog sterker vervuilde Hollands Diep in te laten. Bovendien bevat het Volkerakmeer hiervoor te weinig water.

  • Watertypen in brakwatergebieden

    Binnendijkse brakwatergebieden zijn in verschillende watertypen te verdelen: kreken, wielen, inlagen, drinkputten en karrevelden.
    Kreken zijn restanten van getijdengeulen die door inpoldering getijloos zijn geworden. De wat oudere kreken zijn vaak licht brak. Door hun grotere afmetingen zijn de fluctuaties in het zoutgehalte beperkt. Doordat kreken vaak gebruikt worden voor afvoer van water zijn deze vaak beïnvloed door nutriënten.
    Wielen (of welen) zijn ontstaan door dijkdoorbraken. Op de plekken waar het water naar binnen kolkte zijn diepe plassen achtergebleven. Het chloridegehalte fluctueert beperkt. Door een geïsoleerde ligging is de bemestingsgraad vaak relatief gering. Veel wielen kennen dan ook een goed ontwikkelde vegetatie van ondergedoken planten en een kenmerkende fauna. Het Terluchtse Weel staat bekend om de kolonies mosdiertjes die er voorkomen.
    Inlagen zijn stroken land tussen twee dijken. De tweede dijk werd gemaakt omdat men geen vertrouwen had in de eerste dijk. De grondstof voor de nieuwe dijk werd weggehaald uit de strook tussen de twee dijken. Hier ontstonden ondiepe brakke wateren met een groot oppervlak. Het zoutgehalte kan per seizoen variëren.
    Drinkputten zijn gegraven plasjes die dienen om regenwater op te vangen voor het vee. Als deze te diep zijn gegraven, komen ze onder invloed van zoute kwel te staan.
    Karrevelden zijn ontstaan door kleiwinning. Om de 10 tot 15 meter liggen greppels, gevuld met brak water.

  • Typische brakwatersoorten

    Om te kunnen gedijen in brak water moet een soort zowel met zoet als met zout water om kunnen gaan. Niet veel soorten kunnen dit. Vlokreeften en de steurgarnaal kunnen zich bij verschillende zoutconcentraties nog handhaven. Sommige waterwantsen en vlokreeftjes kunnen bij niet al te zoute omstandigheden leven. Kenmerkende planten zijn zoutwaterzannichellia, zilte waterranonkel, snavelruppia en spiraalruppia.