Content on this page requires a newer version of Adobe Flash Player.

Get Adobe Flash player

 

Duinlandschap in november, Ecomare

Duingebieden

Duinen beginnen waar het strand ophoudt. Een duingebied kan een of meer duinrijen breed zijn. De duinen zelf zijn zandheuvels, met daartussen lager gelegen gebieden, de duinvalleien. Een groot deel van de kust van de zuidoostelijke Noordzee bestaat uit duingebieden. Ze zijn een natuurlijke vorm van kustverdediging, die kan worden bedreigd door kustafslag. Als gevolg van de voortdurende invloed van de zee en de wind vindt men in de duinen een unieke planten- en dierenwereld. Verder zijn de duinen van belang voor recreatie en drinkwaterwinning.

Op Texel


, Sytske Dijksen, www.fotofitis.nl

Jonge duinen en jonge duinvalleien zijn op Texel vooral te vinden op de Hors. Zeer fraaie oude duinen en duinheiden zijn te vinden in de buurt van Den Hoorn en ten zuiden en noorden van De Koog. De rijkste vindplaats van blauwe zeedistels is aan het eind van de Badweg van De Koog, een van de drukste plekken van het eiland! Een prachtig gevarieerd duinlandschap met bloemrijke duinweiden, steile duinhellingen, kleine bosjes en meertjes is te vinden bij de Muy.

  • Dierenrijkdom

    Het duinlandschap bevat veel bijzondere elementen: de zeereep, duingraslanden, open duinvegetaties, meren, beekjes, natte en droge valleien, struwelen, en bossen. De kenmerkende processen binnen alle elementen zijn duinvorming, vegetatie-ontwikkeling en successie, en een karakteristieke waterhuishouding. Door deze verscheidenheid aan omstandigheden is de diversiteit aan soorten groot.
    In Nederland bestaat 254 kilometer Noordzeekust (40.000 hectare) uit duinen. Deze duinen vormen maar 1% van de totale oppervlakte van Nederland. Ondanks dat de duinen maar een klein gedeelte van Nederland vormen, is de planten- en dierenrijkdom er groot: wel 75% van de Nederlandse plantensoorten groeit er en van de ongeveer 190 soorten Nederlandse broedvogels nestelen er 140 in de duinen.

  • Kalk

    In Nederland onderscheiden we twee duingebieden, de Zuideuropese duingebieden die kalkrijk zijn, en de Noordeuropese die kalkarm zijn. De grens tussen die twee gebieden kan nauwkeurig worden aangegeven en ligt in Noord-Holland, ter hoogte van Bergen aan Zee. Het verschil in twee gebieden zit in de voedingsstoffen. Ten zuiden van Bergen aan Zee zitten er meer voedingsstoffen in de bodem dan meer naar het noorden, waar de duinen veel later zijn ontstaan. De aanwezigheid van voedingsstoffen bepaalt of een plant ergens wel of niet kan groeien.

  • Zand

    Het zand van de zuidelijke duinen is aangevoerd door de rivieren Rijn, Maas en Schelde. Uiteindelijk is dit zand afkomstig van de gesteenten in de bergen van Midden-Europa. Het is in het algemeen geel- of bruinachtig van kleur (blonde duinen), en het is rijk aan mineralen zoals kalk. De noordelijke duinen zijn gevormd uit zand van de Noordzeebodem, dat tijdens het Weichselien met de wind is aangevoerd. Dit is hetzelfde type zand als het dekzand dat in Drenthe, Zuidoost Friesland, Overijssel, Gelderland en Noord-Brabant ligt. Het is grijswit van kleur, en het is arm aan mineralen.

  • Duinvorming
    Schema vorming van een nieuw duin, Ecomare

    Alleen langs niet te steile kusten met voldoende zand in de zeebodem en gemiddeld aanlandige wind kunnen stranden en duinen ontstaan. Zelfs kleine hoogteverschillen op een strand kunnen het begin van duinvorming zijn. Achter een kleine hoogte is het iets luwer waardoor stuivend zand kan blijven liggen. Zolang het niet te hard waait en het beginnende duintje niet wegspoelt, wordt het geleidelijk groter.

    Al snel wordt het ontstaan van duinen bevorderd door de eerste strandflora. Deze pioniers vangen stuivend zand in met hun bladeren. Dit zand blijft in de luwte van de plant liggen. Achter een groep planten kan zich zo langzamerhand een duintje vormen. Biestarwegras begint met dit proces.

    Als het duintje ongeveer een meter hoog is vormt zich, als gevolg van het regenwater, een zoetwaterbel onder de oppervlakte, waardoor andere planten zich kunnen vestigen. Helm en blauwe zandhaver nemen dan de dominante positie over. Helm heeft de eigenschap dat het snel meegroeit met het groter wordende duintje, zodat het zand wordt vastgelegd door het wortelstelsel van de helm. Zodra een duintje goed begroeid is met helm, kan de zee het alleen maar bij extreem hoge waterstanden en sterke golfslag weer afbreken.

    De jonge duinen kunnen aan elkaar vastgroeien tot een nieuwe zeereep. Aan de landzijde komt dan een nieuwe duinvallei te liggen. In de beschutting van de eerste aaneengesloten duinenrijen groeit onder meer duindoorn.

    Met elkaar vormen de duindoornstruiken ondoordringbare stekelbossen. Duindoorn is een belangrijke plant voor het duin die via wortelknolletjes voedingsstoffen (stikstof) in de bodem brengt. Die voedingsstoffen worden door de duindoorn zelf weer gebruikt, maar er blijft voldoende over om groei van andere planten mogelijk te maken. In de buurt van duindoorns zien we dan ook dikwijls dichte vlierbosjes en een begroeiing van brandnetels en bramen. Door de aanwezigheid van die planten komt er humus in de bodem. Het verteerde bladafval betekent meer voedsel, ook voor andere soorten. Grassen en mossen gaan zich uiteindelijk sterk ontwikkelen en leggen het duin definitief vast, er komt een eind aan de verstuiving.

  • Verruiging, vermesting en verdroging
    Aanpak van verruigd, voedselrijk duin, Ecomare

    Er zijn twee milieu-ontwikkelingen die in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw een belangrijke invloed hebben gehad op de natuur in de duinen: de verdroging als gevolg van waterwinning en kustafslag en de vermesting als gevolg van de verhoogde aanvoer van stikstofverbindingen. Het samenspel van deze twee ontwikkelingen heeft vooral geleid tot vergrassing en verruiging van veel duingebieden.
    De buntgras-vegetatie, kenmerkend voor voedselarme, vrij jonge droge duinen, is op veel plaatsen verdwenen om plaats te maken voor andere grasvegetaties die aanmerkelijk minder rijk zijn aan vooral mos- en korstmos-soorten. Ook de parnassia-vegetatie (met veel zeldzame orchideeën en gentiaansoorten), kenmerkend voor voedselarme, jonge, natte duinvalleien, is steeds zeldzamer geworden.
    Het gevolg van de verruiging van de duinen is ook voor veel vogelsoorten desastreus. De wulp bijvoorbeeld is tussen 1984 en 1994 sterk in aantal achteruitgegaan. De kleine barmsijs heeft in die periode slechts 3% van zijn broedparen weten te behouden en ook de veldleeuwerik en de tapuit gingen sterk (ongeveer 50- 70%) achteruit. Zij maakten plaats voor soorten die de voorkeur geven aan een landschap met struiken en bomen, zoals de grasmus en de tjiftjaf.
    De zandhagedis is in betekenis achteruit gegaan bij gebrek aan open, stuivend duin. Veel dagvlinders die vroeger gevonden werden in de natte duinvalleien, zoals de moerasparelmoervlinder, zijn nu zeldzaamheden geworden.
    In veel duingebieden worden deze verschijnselen de laatste jaren bestreden met grootschalige beheersmaatregelen: het afplaggen van verruigde vegetatie in de valleien (bijvoorbeeld in de Muy op Texel), het opvoeren van de grondwaterstand (bijvoorbeeld in het Moksloot-gebied op Texel) en het weer laten verstuiven van lopende duinen die tot voor kort werden vastgelegd (vooral op Terschelling en Schiermonnikoog). Op vele plekken worden ook grote grazers (pony's, geiten, runderen) ingezet om de verruiging tegen te gaan.

  • Bescherming
    Duinen op Texel, Ecomare

    In het Natuurbeleidsplan uit 1990 stond dat eind 1998 alle Nederlandse duingebieden onder de werking van de Natuurbeschermingswet gebracht moesten zijn. Dit voornemen is bij lange na niet verwezenlijkt. Op 31 december 1998 was slechts 41% van het duin wettelijk beschermd. In Zeeland zijn de meeste successen geboekt: daar was op de peildatum 90% van het duingebied beschermd. In Zuid-Holland lag dat percentage op 30% en in Noord-Holland op 45%.
    Op de waddeneilanden was de achterstand ook groot: slechts 31% van het duingebied viel per einde 1998 onder de werking van de NB-wet.
    In het algemeen schrijft men het trage toewijzingstempo toe aan twee oorzaken. Ten eerste was men nogal eens terughoudend bij een aanwijzing omdat de Natuurbeschermingswet in 1999 vernieuwd zou worden. Maar belangrijker is het 'gebrek aan draagvlak' voor wettelijke natuurbescherming. Op lokale en regionale schaal werken veel krachten (agrarische, industrie-, recreatie-, en militaire invloeden) tegen. Een fraai voorbeeld is de gang van zaken op Texel. Daar heeft de Rijksoverheid het mogelijk instellen van de Natuurbeschermingswet gebruikt als dwangmiddel om medewerking van de plaastelijke belangengroeperingen te verkrijgen voor de instelling van het Nationale Park 'de Duinen van Texel'. De Nationale Park-status is echter een veel zwakker beschermingsinstrument dan de Natuurbeschermingswet.