Het woord raan is volgens het Van Daele woordenboek een volksnaam voor de kluut, een zwart-wit gekleurde steltloper met lange, opgewipte snavel. Van Daele steunt hierbij op het Woordenboek der Nederlandse Taal (WNT), waaruit blijkt dat deze berust op slechts één vindplaats van het woord, nl. in het boek over dieren van de Hollandse bioloog L. Burgersdijk (°1828, Alphen aan de Rijn). Raan is verder in geen enkel regionaal of dialectwoordenboek terug te vinden als volksnaam vor de kluut. Toch valt de mogelijkheid dat de kluut het motief voor de naamgeving heeft geleverd, niet geheel uit te sluiten. In de eerste plaats is de Vlakte van de Raan inderdaad een rust- en foerageerplaats voor heel wat vogels, zowel tijdens de trekperiode als in de zomer- en winterperiode. In de tweede plaats is de kluut bij ons een inheemse (trek)vogel, die na zijn overwintering in zuiderse oorden in kolonies komt broeden aan onze kusten. Daarbij verkiest de kluut weinig begroeide zandige terreinen, met voldoende ondiep, rustig water in de buurt. Zijn voedsel, bestaande uit insecten en kleine kreeftjes, vangt hij in dit ondiep water, waarbij zijn snavel zich maaiend door de modder beweegt. Het valt dus niet uit te sluiten dat kluten uit noordelijker gebieden op de Vlakte van de Raan een rustpunt inbouwden op hun weg naar het zuiden, en evenmin dat de vogels tijdens het broedseizoen hun voedsel kwamen zoeken in die ondiepe wateren.