Content on this page requires a newer version of Adobe Flash Player.

Get Adobe Flash player

 

Zoek in de Encyclopedie

Dieren en planten

Water en land

Zoetwatergebieden   Ecologie zoetwaterplanten   

Mens en Milieu

De ecologie van waterplanten

Waterplanten komen in alle soorten en maten voor in zoet water, van waterlelie tot kroos. Ze vormen echter niet de belangrijkste basis voor de voedselketen in het zoete water. Dat zijn de algen, die meestal microscopisch klein zijn. Grote waterplanten bieden wel voedsel en bescherming aan talloze diertjes en planten die anders niet kunnen overleven in open water.

  • Invloed van water

    Waterplanten groeien het best in stilstaand ondiep water. In stromend water kunnen alleen soorten met wortels leven. Als het water te diep of te troebel is krijgen vastzittende waterplanten niet genoeg licht en sterven ze af. Drijvende en zwevende waterplanten zijn hier in het voordeel, omdat ze wel genoeg zonlicht kunnen ontvangen voor de fotosynthese. De diepte en de helderheid van het water hebben dus grote invloed op de samenstelling van de plantengemeenschap.
    Algen groeien in allerlei soorten zoet water. Er zijn vele soorten. Soms bloeit er plotseling een algensoort enorm op. Daardoor kunnen vissen en andere dieren sterven, omdat de algen sterke schommelingen in de hoeveelheid zuurstof veroorzaken. In schoon water is zo'n algenbloei vaak van korte duur omdat de benodigde voedingsstoffen snel op zijn. 
    In schoon water komen veel soorten dieren, waterplanten en algen naast elkaar voor. Algen uit de groep van de kranswieren zijn kenmerkend voor schoon water.

  • Effecten van vervuiling

    Als er in water een teveel aan voedingsstoffen aanwezig is, kunnen sommige kleine algen een ware plaag vormen. Tijdens algenbloeien kan het water zo troebel zijn, dat andere waterplanten niet genoeg licht krijgen. Die sterven af. Een teveel aan dode planten kan zuurstofloos water tot gevolg hebben, omdat de zuurstof tijdens het rottingsproces wordt opgebruikt. Sommige soorten bacteriën, blauwalgen en fytoplankton gedijen juist goed onder deze omstandigheden. Zij scheiden soms stoffen uit die giftig zijn voor andere planten en dieren.

  • Aanpassingen van waterplanten

    In het water heeft een plant veel minder steunweefsel nodig dan op het land. Waterplanten zijn dan ook niet houtig. Ze zijn slap en ze hoeven ook geen dikke stengels te maken. De stengel is vaak hol. Er zit lucht in, zodat de stengel gaat drijven. De wortels dienen er vooral voor om zich te verankeren, want voedingsstoffen kunnen ook via de bladeren en de stengel uit het water worden opgenomen.