Content on this page requires a newer version of Adobe Flash Player.

Get Adobe Flash player

 

Zoek in de Encyclopedie
Foraging oystercatchers, Ecomare

Onderzoek naar de beschikbaarheid van voedsel voor schelpdieretende vogels

Als in jaren met weinig mosselen en kokkels in de Waddenzee en Oosterschelde 60 tot 70% voor vogels moet blijven liggen en niet weg gevist mag worden, dan nog is er geen garantie dat er in de periode november tot en met maart daadwerkelijk voldoende voedsel voor vogels overblijft. In de Waddenzee trad bijvoorbeeld in de winters 1990-'91 en 1991-'92 voedselschaarste op; in de Oosterschelde in alle vier achtereenvolgende winters. Hierdoor zoeken scholeksters en eidereenden hun voedsel op het vasteland. Dit concludeerde Cor Smit van het Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek (nu IMARES) in het rapport "Alternatieve voedselbronnen voor schelpdier- etende vogels in Nederlandse getijdenwateren".

  • Voedselbehoefte

    Cor Smit heeft op basis van het in de jaren tachtig van de vorige eeuw aanwezige aantal eidereenden (62.000) en een geschatte consumptie van 650 gram schelpdiervlees per dag de totale voedselbehoefte van eidereenden in de Waddenzee geschat op 14,7 miljoen kilo. Scholeksters (145.000 exemplaren) die ongeveer 225 gram per dag eten, hebben 11,9 miljoen kilo vlees nodig. En kanoetstrandlopers consumeren jaarlijks ongeveer 1,5 miljoen kilo. De kokkelvisserij oogstte in de jaren 1990 tot en met 1993 tot 7 miljoen kilo kokkelvlees in de Waddenzee en tot 1,6 miljoen kilo in de Oosterschelde.
    Een reeks zachte winters zorgt ervoor dat in de periode 1987-1994 geen goede broedval meer heeft plaatsgevonden van mosselen en kokkels. Bovendien verdwenen in het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw de overgebleven mosselbanken van de droogvallende wadplaten door bevissing en stormen. De echte voedselschaarste voor de wadvogels ontstond toen kort na 1990 de kokkelvisserij een aanzienlijk deel van het relatief magere kokkelbestand opviste, aldus Cor Smit. Vooral de eidereend en de scholekster leden hieronder, omdat hun voedsel voor een belangrijk deel uit mosselen en kokkels bestaat.
    Wanneer onder invloed van natuurlijke omstandigheden schaarste aan kokkels optreedt, zullen scholeksters en eidereenden intensiever op mosselbanken gaan foerageren. In het verleden leverde dit weinig problemen op. Mosselpopulaties zijn stabieler dan kokkelpopulaties. Als er onverhoopt toch te weinig mosselen aanwezig waren, schakelden de vogels over op nonnetjes en andere schelpdiersoorten. Nu droogvallende mosselbanken vrijwel geheel uit de Waddenzee verdwenen zijn, is de alternatieve prooikeuze veel beperkter.
    In 1993 legde de overheid in de Structuurnota Zee- en Kustvisserij vast dat voortaan op een kwart van de platen in de Waddenzee geen kokkel- en mosselzaadvisserij meer is toegestaan. In voedselarme jaren zou bovendien de genoemde 60 tot 70% van de mosselen en kokkels moeten blijven liggen voor de vogels. Als minder aanwezig is dan deze 60 tot 70% zal de visserij op schelpdieren in het betreffende gebied in dat jaar worden gesloten. De overheid ging er daarbij vanuit dat deze maatregelen garandeerden dat er voldoende voedsel voor de wadvogels overbleef. Bijkomend voordeel is dat de droogvallende mosselbanken en zeegrasvelden zich in de gesloten gebieden weer kunnen ontwikkelen.
    Volgens het onderzoek van het IBN liep het anders. Tellingen in de Waddenzee in de winter van 1991 toonden aan dat het aantal eidereenden 35% lager lag dan het gemiddelde over de jaren 1970 tot 1990. In de winter 1992/1993 telde het IBN in de Waddenzee slechts 40.000 eidereenden tegen ongeveer 120.000 in de jaren tachtig van de vorige eeuw. Een groot deel van de verdwenen eidereenden is volgens Cor Smit uitgeweken naar de Noordzee en mogelijk ook naar het Duitse waddengebied.
    In de Oosterschelde blijkt sprake van een min of meer structureel voedseltekort. Dit uit zich in lage gewichten en een relatief hoge sterfte onder een aantal van de aanwezige scholeksters. Smit concludeert hieruit dat de draagkracht van de Oosterschelde wordt overschreden. De problemen in dit gebied worden deels veroorzaakt door veranderingen die optraden bij het voltooien van de Deltawerken, aldus het IBN.
    De zogeheten 60-70%sregeling biedt volgens Cor Smit geen garantie dat er in de wintermaanden voldoende voedsel voor de vogels beschikbaar is. Op basis van bemonstering van de bodemfauna door het Rijksinstituut voor Visserij Onderzoek in mei wordt het visserijbeleid van het komend seizoen bepaald. Mocht de conclusie getrokken worden dat er voldoende voedsel in de Waddenzee en de Oosterschelde ligt, dan nog is volgens het IBN de kans groot dat een bovennatuurlijke sterfte onder schelpdieretende vogels zal optreden. Aanleiding daartoe kan een vorstperiode in de winter zijn, waardoor een groot deel van de na visserij overgebleven kokkels alsnog sterft. Scholeksters kunnen bij een vorstperiode geen beroep doen op alternatieve voedselgebieden in het binnenland.