Content on this page requires a newer version of Adobe Flash Player.

Get Adobe Flash player

 

Zoek in de Encyclopedie

Zeevogels

aantal soorten wereldwijd:

ruim 300

aantal soorten op Noordzee:

ongeveer 30

grootste Noordzeevogel:

is de Jan van Gent, spanwijdte: 2 meter

kleinste Noordzeevogel:

is het stormvogeltje, spanwijdte 40 centimeter

vijanden:

de mens (concurrentie door visserij, jacht, vervuiling), roofvogels en ziektes, en af en toe een zeehond

voedsel:

vissen, kreeftachtigen, dierlijk plankton, schelpdieren, jonge vogels

  • Ned: zeevogels
  • Eng: seabirds, marine birds
  • Fra: oiseaux de mer
  • Dui: Meeresvögel, Seevögel
  • Dan: havfugle
Zeekoeten, Ecomare, Salko de Wolf

Zeevogels

Wie vanaf het strand over zee uitkijkt, ziet meestal wel vogels. Vooral zilvermeeuwen zijn bij iedereen bekend. Toch zijn dat eerder kust- dan zeevogels. Echte zeevogels zie je in het algemeen niet vanaf het land (of ze moeten als olieslachtoffer aanspoelen), maar alleen op volle zee. Vooral de grote groepen vogels die achter een viskotter azen op de bijvangst en het visafval vormen een bekend beeld.

  • Bijgeloof
    Jan van Gent, Marijke de Boer

    Zeevogels hebben altijd tot de verbeelding gesproken. De zeelieden van vroeger hadden op hun lange reizen weinig ander gezelschap dan de zeevogels die hun zeilschepen volgden. Ze beschouwden hun aanwezigheid bij windstil weer als een gunstig voorteken; het zou dan spoedig weer gaan waaien. Ze geloofden ook dat de zielen van overleden zeelui in deze zeevogels bleven voortbestaan.
    Met of zonder bijgeloof, zeevogels bekijk je met ontzag. Zij behoren tot de wereld van de zee waarin mensen alleen maar met behulp van kunstgrepen tijdelijk kunnen vertoeven. Zij zijn er thuis; ze brengen er een groot deel van het jaar door, en halen er hun voedsel uit. Ook in andere opzichten verschillen zij van de meer aan de kust gebonden wadvogels. Zeevogels komen geregeld in het nieuws als olieslachtoffers.

  • Vogelsoorten op de Noordzee

    Op de oceanen en zeeën over de hele wereld komen zo'n 300 zeevogelsoorten voor. In het Noordzeegebied kom je noordse stormvogels, jan van genten en alkachtigen tegen, de noordelijke tegenhangers van de pinguďns. Ook drieteenmeeuwen en jagers komen op de Noordzee voor. Al deze vogelsoorten komen eigenlijk alleen maar aan land om te broeden, voornamelijk op rotsachtige kusten en kliffen. Zij komen dan ook niet als broedvogel in Nederland voor.

  • Zeewaardige vogels
    Noordse stormvogel , Foto Fitis, www.fotofitis.nl

    Voor warmbloedige dieren als vogels is het zeemilieu geen gemakkelijke plek om te leven. Op open zee is er lang niet altijd voedsel aanwezig, en beschutting zoeken tegen storm en regen is er niet bij. Om zich tegen deze ongunstige omstandigheden te beschermen beschikken zeevogels over grote voedselreserves in de vorm van vetlagen en zware spieren. Bij een slecht voedselaanbod kunnen ze enige tijd op hun vetreserve teren. Ook hebben de meeste zeevogels een grote maag. Zo kan een noordse stormvogel 20% van zijn lichaamsgewicht aan voedsel meedragen. Om warm en droog te blijven beschikken zeevogels over een perfect sluitend verenkleed met een groot waterwerend vermogen.
    Zeevogels verstaan de kunst om het zoute zeewater te gebruiken als drinkwater. Zij kunnen het zout uit het zeewater wegwerken met behulp van twee klieren die in de schedel liggen. Via een kanaaltje loopt het overtollige zout naar de neusholte waar het via de neusgaten wordt uitgescheiden. Bij zeevogels zie je wel eens een zeer geconcentreerde zoutdruppel aan het snaveluiteinde hangen.
    Een aantal zeevogels heeft zich aan de relatieve voedselschaarste van de open zee aangepast door het leggen van slechts één ei, zodat er maar voor één jong vis op de plank hoeft te komen. Ook de lange broedperiode - meestal meer dan een maand - en het trage opgroeien van de jongen past hierbij: de kuikens hebben per dag niet zoveel visjes nodig. Het jong van de jan van gent wordt maar liefst drie maanden verzorgd voordat hij het nest verlaat.
    Zeevogels kunnen tientallen jaren oud worden. In tegenstelling tot de meeste landvogels (die al na 1 jaar geslachtsrijp zijn) worden zeevogels pas op een leeftijd van gemiddeld 5 jaar geslachtsrijp.
    Zeevogels zijn uitstekende vliegers en/of zwemmers. Dat betekent wel dat zij zich vaak minder handig op het land kunnen bewegen.

  • De kunst van het jagen
    Papagaaiduiker, Foto Fitis, www.fotofitis.nl

    Veel zeevogels eten vis. Om deze te vangen hebben de vogels verschillende jachtmethodes ontwikkeld. Alk, zeekoet en papegaaiduiker duiken de diepte in om hun prooi te vangen. Ze lijken niet alleen uiterlijk op pinguďns, maar ook vanwege de manier waarop ze onder water 'vliegen', met half opengeslagen vleugels. Hun poten zijn voorzien van zwemvliezen en doen dienst als roer. Ze kunnen zo enorme dieptes bereiken. Zeekoeten zijn tot op 180 meter diepte aangetroffen. De jan van gent spoort z'n prooi op vanuit de lucht en vangt deze vervolgens met een zogeheten stootduik: het dier duikt van hoogten tot 30 meter loodrecht in zee om zijn prooi te bemachtigen. Met een snelheid van zo'n 100 kilometer per uur en de vleugels langs het lichaam naar achteren gevouwen doorklieft hij als een levende torpedo de waterspiegel. De enorme klap wordt opgevangen door een verstevigde schedel en een beschermend onderhuids luchtkussen. De noordse stormvogel is een typische oppervlaktejager. Zittend op het water pikt hij visserij-afval, of visjes en garnaaltjes, die dicht onder het wateroppervlak zwemmen, weg.
    Veel zeevogels zijn aan de onderkant van hun lichaam wit of grijs. Die kleur dient als jachtcamouflage. Wanneer de vogels aan het oppervlak zwemmen of daar net boven vliegen kunnen vissen ze moeilijk onderscheiden tegen de glinstering van de waterspiegel.
    Een uitzondering is de zwarte zee-eend. Deze vogel, die op volle zee voor de Nederlandse kust te vinden is, eet schelpdieren en heeft geen camouflage nodig.

  • Verspreiding over de Noordzee
    Broedkolonie papegaaiduikers, Foto Fitis, www.fotofitis.nl

    Vanwege de moeilijke toegankelijkheid en grote omvang van de Noordzee is het niet eenvoudig om de verspreiding van zeevogels in dit gebied vast te stellen. Toch is onder andere door zeevogeltellingen aan boord van onderzoeksschepen wel wat hierover bekend.
    De broedplaatsen van de zeevogelsoorten zijn nog het best in kaart gebracht. Dat is logisch, want zeevogels zijn gedwongen om voor de voortplanting vaste grond op te zoeken, en daar zijn ze gemakkelijker te observeren. Zeekoeten, alken en drieteenmeeuwen vinden hun broedplaatsen bij voorkeur op direct aan zee gelegen steile rotsrichels. Dergelijke plaatsen komen rond de Noordzee voor op de Orkney- en Shetland-eilanden en de Britse noordoostkust. Verder zijn alleen op het Duitse eiland Helgoland steile rotsen te vinden. Daar is dan ook een kolonie met voornamelijk zeekoeten en drieteenmeeuwen.
    Zeevogels stellen nog meer eisen aan hun nestplaatsen. Ze prefereren niet zozeer steile kliffen, maar willen vooral beschermd zijn tegen viervoetige rovers (vossen, ratten). Daarom zijn ontoegankelijke rotseilanden ideaal. De nestplaatsen van papegaaiduiker en jan van gent vind je vaak bovenop de broedrotsen. De daar heersende winden maakt het wegvliegen gemakkelijker. Papegaaiduikers broeden in holen bovenop de kliffen in grazige stukken tussen de rotsen. Zeekoeten en alken leggen hun eieren op de lager gelegen rotsrichels.
    Alken hebben een voorkeur voor wat diepere, en de zeekoet voor smalle rotsrichels. Alle drie genoemde alkachtigen eten dezelfde soorten vis, maar de zeekoet vangt de grotere vissen, terwijl de papegaaiduiker de kleintjes pakt.

  • Zeevogeltrek

    Na de broedtijd blijven sommige zeevogelsoorten het hele jaar door in de buurt van hun broedplaatsen. Anderen verplaatsen zich vanwege de wisseling in seizoenen en voedselaanbod, over kleine of grote afstanden. Veel jan van genten en papegaaiduikers verlaten het Noordzeegebied nadat hun jongen vliegvlug zijn geworden, zo eind juli. In het volgende voorjaar keren de vogels weer naar hun broedgebieden terug. Er zijn vier soorten die het gehele jaar door op de Noordzee blijven: noordse stormvogel, drieteenmeeuw, zeekoet en alk. Zij doen niet mee aan de lange trek, maar trekken wel binnen de Noordzee. Zo broedt de zeekoet in het voorjaar aan de Engelse en Schotse noord- en oostkust, en vertrekt in augustus een deel van de populatie met hun nog jonge kuikens naar het oostelijk of het zuidelijk deel van de Noordzee. In het vroege voorjaar keren de vogels weer terug naar hun Engelse en Schotse broedrotsen.
    De zuidelijke Noordzee is dus vooral van belang voor zeevogels als voedselgebied in de winter. Vooral het Friese Front, een gebied ten noorden van de waddeneilanden, trekt veel zeevogels aan. Op deze plaats zijn de getijdenstromen zo zwak, dat er voedselrijk slib bezinkt. Daardoor zijn er veel bodemdieren, vissen en zeevogels.
    Op het strand in Nederland is van de zeevogeltrek in het algemeen niet veel te merken. De vogels trekken wel langs de kust, maar net te ver weg om het goed te kunnen zien. Alleen met stormachtige noordwestenwind vliegen ze meer in de nabijheid van de kust, en dan kun je bijzondere zeevogelwaarnemingen verwachten. Bij deze omstandigheden zie je dan ook goed ingepakte vogelaars met een telescoop de ruige zee afspeuren.

  • Top van de voedselketen
    Kringloop van voedsel in het zeemilieu, Ecomare, Oscar Bos

    Zeevogels zijn natuurlijk niet de enige dieren die in het Noordzeegebied voorkomen. Onder de Noordzeegolven huist een enorme verscheidenheid aan leven. Aan de basis van het leven in zee staan microscopisch kleine plantjes, het fytoplankton. Voor hun groei zijn behalve water en koolzuur ook zonlicht en voedingsstoffen (nitraten, fosfaten e.d.) nodig. In de ondiepe Noordzee zijn deze ingrediënten in de regel aanwezig. Er wordt dan ook veel plantaardig plankton geproduceerd. Dit wordt gegeten door het dierlijk plankton, meest kleine diertjes die net als het fytoplankton in het water rondzweven.
    Dit zoöplankton wordt gegeten door allerlei bodemdieren en (jonge) vissen, die op hun beurt weer gegeten worden door grotere vissen. Al die vissen staan tenslotte op het menu van zeezoogdieren, mensen en zeevogels.
    Alle planten en dieren in zee vormen op deze wijze een soort reeks van 'eten en gegeten worden', die men voedselketen noemt. Zeevogels staan aan de top van de voedselketen: zij hebben het vooral voorzien op kleinere vissen als sprot en zandspiering. Alleen de jan van gent eet voornamelijk grotere vissoorten zoals makreel.
    Uit onderzoek aan drieteenmeeuwen in Alaska bleek hoe belangrijk goed eten voor meeuwen is. In dit gebied is de populatie drieteenmeeuwen sinds de jaren tachtig gehalveerd. Dit viel samen met een verminderde beschikbaarheid van vetrijke vissoorten door klimaatveranderingen. Het bleek dat een gebrek aan voldoende vette vis zorgde voor een verstoring van de hersenontwikkeling, waardoor de jonge meeuwen tegenwoordig waarschijnlijk te dom zijn om te kunnen overleven.

  • Jacht op zeevogels

    Zeevogels zijn voor de mens niet alleen aantrekkelijk gebleken om te observeren. Eilandbewoners aan beide kusten van de Noord-Atlantische Oceaan hebben eeuwenlang noordse stormvogels, jan van genten, papegaaiduikers, alken en zeekoeten gevangen en zeevogeleieren geraapt. Tijdens de wintermaanden waren deze mensen wekenlang van de buitenwereld afgesneden. De in de zomer geraapte eieren en gevangen zeevogels dienden dan als voedsel. De eilandbewoners regelden hun oogst volgens eigen reglementen om de zeevogelpopulaties (en daarmee hun eigen voedselvoorraden) niet in gevaar te brengen.
    Anders verliep het met de reuzenalk. Deze zeevogel van de noordwestelijke Atlantische Oceaan werd in de 19e eeuw op grote schaal afgeslacht om als voedsel te dienen voor robbenjagers en vissers. De reuzenalk was zodanig aan de jacht onder water aangepast dat hij, net als de pinguďns, niet kon vliegen. Dit maakte hem extra kwetsbaar, en in 1844 werd dan ook het laatste exemplaar gedood.
    Ook nu nog zijn er mensen die zeevogels eten. Op IJsland en de Faröer, waar zeevogels als voedselbron vroeger onmisbaar waren, eet men ook nu nog papegaaiduikers. De vogels worden gevangen met behulp van netten aan stelen. Dit 'fleyging' gebeurt vanuit bootjes of, vaker nog, staande op de steile kliffen van de broedkolonie. De vogels worden uit de lucht gevangen als ze dicht langs de kliffen vliegen op weg naar hun nest.

  • Bedreigd door gif

    De vervuiling van het zeewater met allerlei giftige stoffen is ook een grote bedreiging voor zeevogels. Giftige stoffen zijn er in veel variaties: zware metalen, bestrijdingsmiddelen, PCB's, PAK's, UGILEC's enzovoort. Al deze schadelijke stoffen komen via de rivieren, door ongevallen, lozingen en verbranding op zee, zelfs via neerslag vanuit de lucht in het zeewater terecht. Daar worden ze via de schakels in de voedselketen doorgegeven aan de zeevogels. De stoffen hopen zich op in het vetweefsel van zeevogels. Bij extreme omstandigheden teert een zeevogel op zijn vetvoorraad in: de giftige stoffen komen dan in het bloed vrij en tasten vervolgens allerlei levensfuncties van de vogel aan. Extra sterfte van zeevogels treedt daarom op in de broedtijd en de wintermaanden, als de vogels hun reserve-vet aanspreken. Van het bestrijdingsmiddel DDT (en zijn afbraakproduct DDE) is bekend dat het de hormoonbalans verstoort: de aanmaak van de stof calcium neemt af. Calcium zit in eierschalen. Door de DDT worden deze dunner en breken gauw. Zo zakten in Florida broedende pelikanen door hun eieren als gevolg van DDT-vervuiling.
    Het is bewezen dat PCB's de voortplanting van vogels en zoogdieren verstoren. Ook tasten ze het immuunsysteem aan waardoor dieren minder weerstand hebben tegen infectieziekten. De hoeveelheid PCB's in het vetweefsel van sommige zeevogels is inmiddels tienduizenden malen hoger dan in het zeewater zelf. Experimenteel is al aangetoond dat dergelijke waarden het afweersysteem van zeevogels tegen parasitaire en andere ziekten aanzienlijk aantasten.

  • Besmeurd met olie

    Olie is de bekendste en een van de grootste bedreigingen voor zeevogels. Alleen al in het Nederlandse deel van de Noordzee komen jaarlijks tienduizenden zeevogels om door olievervuiling. Slechts een fractie van deze olieslachtoffers kan worden gered in de kustasielen, zoals Ecomare.

  • Zeevogels en visserij: vriend...
    Vissersboot met achtervolgende meeuwen, Foto Fitis, www.fotofitis.nl

    Vroeger viste men op de Noordzee met kleine vissersbootjes. Tegenwoordig varen er ook hypermoderne visfabrieken uit die niet alleen vis vangen, maar deze ook meteen op zee verwerken, verpakken en invriezen. De vis wordt daartoe opgespoord met moderne sonar-apparatuur. Grote hoeveelheden vis worden aan land gebracht door deze industrievisserij.
    Sommige zeevogels hebben lange tijd voordeel gehad van het feit dat grotere vissoorten als haring, makreel en kabeljauw massaal werden weggevangen. Daardoor waren de kleinere vissen van hun roofvijanden en voedselconcurrenten verlost. Soorten zoals zandspiering en sprot konden op die manier in aantal toenemen. Met name noordse stormvogels, drieteenmeeuwen en zeekoeten profiteerden van die verstoorde situatie omdat zij juist kleiner zeebanket op hun menu hebben staan: zandspiering vooral tijdens het broedseizoen en 's winters sprot. Mede dankzij die overvloed aan geschikt voedsel hebben een aantal zeevogelsoorten zich de vorige eeuw spectaculair kunnen herstellen van de door jacht en eierroof gereduceerde aantallen aan het eind van de 19e eeuw.
    Veel zeevogels profiteren van het visafval dat door de boomkorvissers op zee overboord wordt gezet. Vooral drieteenmeeuwen en noordse stormvogels weten de vissersschepen wel te vinden.

  • ...en vijand.

    Geregeld verdrinken zeevogels en ook zeezoogdieren in de netten van de staand-want-visserij. Zo is voor de Noorse kust vastgesteld dat per jaar ongeveer 30.000 zeekoeten in visnetten omkomen.
    In de jaren tachtig van de vorige eeuw leek met de opkomst van de industrievisserij een einde te zijn gekomen aan de groei van de zeevogelbevolking in de Noordzee. De industrie-visserij vangt kleine visjes zoals zandspiering en sprot, die het voedsel zijn van veel zeevogelsoorten. De gevangen zandspiering en sprot wordt tot vismeel vermalen, dat wordt gebruikt als veevoer, als voedsel voor viskweek, in blikjes en brokjes voor honden en katten, en zelfs als mest. Voor 1950 was deze vorm van visserij op de Noordzee vrijwel onbekend, maar in de jaren zeventig van de vorige eeuw groeide de vangst tot ongeveer twee miljoen ton vis per jaar (tegen één miljoen ton vis voor menselijke consumptie). Veel industrie-vis komt van Deense en Noorse vissers, die daarvoor in de Noordzee veelvuldig gebruik maken van reusachtige ringnetten. Naast zandspiering en sprot wordt veel jonge haring meegevangen.
    De eerste gevolgen van al dat gevis lijken zich al af te tekenen. Op de Lofoten, een eilandengroep voor de Noorse kust, lukte het begin jaren negentig van de vorige eeuw slechts één op de duizend ouderparen papegaaiduikers om hun jong groot te krijgen. Zandspiering en jonge haring is het voedsel dat jonge papegaaiduikers nodig hebben en dat was er niet meer. De papegaaiduikers van de Lofoten vergrijsden. Jongere generaties ontbraken. Zeekoeten en drieteenmeeuwen verkeerden in een zelfde situatie.
    Ook in de Noordzee zijn er zulke problemen ontstaan. Na 1982 is de zandspiering rond de Shetland-eilanden in aantal achteruit gegaan. Rond deze eilandengroep werd er veel gevist: van 1974 tot 1982 steeg de vangst van zandspiering razendsnel van 8000 naar 52.000 ton per jaar. Vanaf 1983 hebben vooral noordse sterns, maar ook kleine jagers, drieteenmeeuwen, papegaaiduikers en noordse stormvogels slechtere broedresultaten als gevolg van voedseltekorten. In 1988 en 1989 werden in de kolonies van de grote en kleine jager, noordse stormvogel en drieteenmeeuw zelfs vrijwel geen jongen meer grootgebracht. Het aantal noordse sterns was inmiddels met 70% afgenomen.
    In bovenstaande gevallen is niet bewezen dat de visserij de directe oorzaak is. Mogelijk zijn de problemen bij de Lofoten en Shetlands mede in gang gezet door een verandering in het stromingspatroon van het water. Wijzigingen in stroomrichting, zoutgehalte of temperatuur kunnen grote invloed hebben op de visstand. Men kan wel grote vraagtekens plaatsen bij het verslechteren van de situatie voor de zeevogels.
    Er zijn echter nog meer signalen waaruit blijkt dat de vogels op de Noordzee zowel in het broedseizoen als in de winter problemen hebben met het vinden van voldoende voedsel. Zo is er in Nederland in de winters van de jaren tachtig van de vorige eeuw een toename geweest in de aantallen aangespoelde dode zeekoeten, alken en drieteenmeeuwen. Gedeeltelijk als gevolg van verhongering, gedeeltelijk als gevolg van chronische (olie)vervuiling en gedeeltelijk doordat er meer vogels in de zuidelijke Noordzee overwinteren. In de loop van de jaren negentig van de vorige eeuw leek enige verbetering op te treden, voor zover het ging om olieslachtoffers.

  • Actie voor de zeevogels

    Een aantal milieugroeperingen maken zich al jaren zorgen om het lot van de zeevogels op en rond de Noordzee. Zo steunt de Stichting Nationaal Comité Zeevogels Olievrij - een samenwerkingsverband van Vogelbescherming, de Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren en kustasielhouders - onder meer de vogelopvangcentra met geld voor goede accommodatie en voedselhulp tijdens vogelrampen. Welbekend zijn Greenpeace, Stichting De Noordzee en de Waddenvereniging. Met campagnes en acties proberen deze milieuorganisaties politiek en publiek te wijzen op de verslechterende leefsituatie voor zeevogels in het Noordzeegebied.

  • Wetenschappelijk zeevogel-onderzoek

    Er is nog niet zo veel bekend over de verspreiding van de zeevogels over de Noordzee, over hun voedselkeuze, en over de beste manier om ze te beschermen. Waarnemingen door vogeltellers vanaf onderzoeksschepen moeten daar duidelijkheid over verschaffen.
    Ook doen wetenschappers onderzoek naar de effecten van de vervuiling van het Noordzeemilieu. Dergelijke onderzoeken zijn heel belangrijk omdat overheden van de Noordzeestaten bewijzen op tafel willen zien. Pas dan kan er misschien iets veranderen. Zo kijkt de Werkgroep Nederlands Stookolieslachtoffer Onderzoek (een onderdeel van de Nederlandse Zeevogelgroep) naar de gevolgen van olievervuiling voor zeevogels. Dit onderzoek maakt onder meer gebruik van gegevens van olieslachtoffertellingen, die sinds de Tweede Wereldoorlog zijn verricht. In Nederland en andere landen rond de Noordzee worden ook olieslachtoffers inwendig onderzocht. Op deze wijze wil men aanvullende gegevens krijgen over bijvoorbeeld doodsoorzaak, lichamelijke conditie en het effect van olie en andere stoffen op vogels.

Tweet van een vogelaar

Cduin: geen trek, wel leuk: 100+ genten, 1 no sto, 1 no pijl, 1 gr burrie, 1 m jager, 5 kl jager en wat nse sterns

 

Nick van der Ham, @nickvdh3

 

Wie weet wat hij allemaal gezien heeft?