Content on this page requires a newer version of Adobe Flash Player.

Get Adobe Flash player

 

Zoek in de Encyclopedie

Dieren en planten

Tweekleppigen algemeen   Oesters   Platte oester   Japanse oester   Wadfauna   Bodemfauna   Tweekleppigen   

Japanse oester

afmetingen:

tot 20 centimeter, soms nog veel groter

kleur:

wit tot grijzig

voedsel:

fytoplankton

vijanden:

bijna niemand, maar sinds kort meeuwen en scholeksters, mensen, ziektes

voortplanting:

geslachtelijk

  • Ned: Japanse oester (creuse, wilde kreuse)
  • Lat: Crassostrea gigas
  • Eng: Pacific oyster (Japanese oyster)
  • Dui: Pazifische Auster (Felsenauster)
  • Dan: zie Latijnse naam (Øster)
japanse oesters, foto fitis, sytske dijksen

Japanse oester

In de Waddenzee, Oosterschelde en de Grevelingen zie je steeds meer Japanse oesters. Hoewel ze lekker zijn om te eten is niet iedereen blij met de komst van deze oester. De schelpen zijn namelijk vlijmscherp, je kunt je er snel aan snijden. En op sommige plekken groeien nu zoveel oesters dat ze andere schelpdieren verdringen. Ze nemen niet alleen hun plekje in, maar eten ook flink, waardoor er voor de andere schelpdieren minder overblijft. Hoewel er dus best nadelen kleven aan de snelle groei van de Japanse oester, zijn er natuurlijk ook voordelen. De stevige oesterriffen zorgen bijvoorbeeld voor beschutting. Verschillende bodemdieren vinden er een veilig heenkomen en een stevige ondergrond. Hoewel veel vogels moeite hebben om de Japanse oesters open te krijgen, lijken een aantal vogelsoorten de lekkernij nu te ontdekken.  Meeuwen hebben sinds kort een manier gevonden om ze open te krijgen, ze laten ze van grote hoogte op dijken kapotvallen.

  • Verspreiding en habitat
    japanse oester, foto fitis, sytske dijksen

    De Japanse oester komt oorspronkelijk van de Aziatische Pacifische kust. Door de mens zijn ze inmiddels ook in Noord-Amerika, Australie, Europa en Nieuw Zeeland terecht gekomen. In 1964 werden de Japanse oesters door kwekers naar Zeeland gebracht. De Nederlandse platte oester had namelijk erg te lijden onder een oesterziekte en de kwekers dachten dat de Japanse oester sterker zou zijn. De kwekers verwachtten dat de oester zich niet uit zichzelf zou gaan voortplanten in het koude Nederlandse water en dat ze de exoot veilig naar Nederland konden brengen. Helaas bleek de koude geen probleem, want halverwege de jaren zeventig bleken ze zich massaal te vermenigvuldigen. In de Waddenzee is het dier in 1983 ingevoerd. De Japanse oester komt nu dus voor in de Waddenzee en het deltagebied. Nog steeds neemt de hoeveelheid Japanse oesters in deze gebieden toe. Ze hebben een harde ondergrond nodig om zich te kunnen vestigen, maar deze ondergrond hoeft niet persé groot te zijn. Een lege oesterschelp is al een goede basis voor een nieuw oesterrif. De grootste riffen vind je op platen en dijken die bij laag water droogvallen, maar ze kunnen voorkomen tot op zo'n 80 meter diepte.

  • Japanse oesters en consumptie
    consumptie-oesters, foto fitis, sytske dijksen

    Sinds 1965 wordt de Japanse oester op vrij grote schaal geteelt in de Oosterschelde.  In de handel staat de Japanse oester bekend onder de naam 'creuse'.
    Japanse oesters zijn heel geschikt voor de kweek. Ze planten zich namelijk al voort als ze 1 jaar oud zijn en groeien heel hard. Hij is al na twee jaar, wanneer hij zo'n 100 gram (gewicht zonder schelp) weegt, geschikt voor consumptie. Bij de platte oester duurt dit veel langer: een platte oester weegt pas na vier jaar zo'n 75 gram.

  • Verdringing van mosselen en kokkels?
    Rif van Japanse oesters, Ecomare, Oscar Bos

    In de Oosterschelde zijn de Japanse oesters massaal aanwezig, en in het waddengebied nemen ze steeds meer toe. De Japanse oesters eten veel meer algen, nemen meer ruimte in beslag en eten per ongeluk ook larfjes van andere schelpdieren. Biologen zijn bang dat de gewone schelpdieren zoals de kokkel en de mossel veel zeldzamer zullen worden door concurrentie met de Japanse oesters. Daardoor zouden ook de schelpdieretende vogels, zoals de eidereend en de scholekster, het moeilijk kunnen krijgen.

    Maar de oesterriffen zijn wel een soort rotsige ondergrond voor veel zeedieren, zoals zeeanemonen, zeepokken en kleine visjes, die anders geen geschikte leefomgeving zouden vinden in de wereld van zand en slib. Vroeger werd deze functie bekleed door mosselbanken, maar die zijn veel minder stabiel dan de oesterriffen en bovendien zeldzaam geworden als gevolg van de schelpdiervisserij.

  • Vogels en oesters

    Het is voor een vogel niet gemakkelijk om zo'n Japanse oester open te krijgen. Zeker niet wanneer ze allemaal aan elkaar vast zitten of zich hebben vastgeketend aan een steen of dijk. Maar in 2007 zagen onderzoekers dat scholeksters en meeuwen begonnen te leren hoe ze deze lastige prooien moesten kraken. Scholeksters steken hun snavel in oesters die een heel klein beetje openstaan. Ze kunnen hem dan verder openwrikken en de oester opeten. Meeuwen pakken het rigoureuzer aan. Die pakken losliggende oesters en laten ze dan uit de lucht op de zeedijk kapot vallen. In het begin lukte het nog niet zo goed (30% succesvol), maar nu lukt het bijna alle keren (90%). Als je nu over de Waddenzeedijken van Texel fietst, vind je overal kapotgegooide oesterschelpen.

Geluk!

Er leven miljoenen oesters langs de dijk. Miljoenen delicatessen...
Ik neem een mes mee, een citroen en een klein flesje wijn. Ik raap een oester en met heel veel moeite vind ik een plekje om het mes tussen de schelphelften te steken en de sterke spier door te snijden. Dan zie ik een teer diertje liggen op een paarlemoeren schaaltje.
Zijn huid trekt samen onder het zuur van de citroen. Ik slurp hem naar binnen en proef: hemels, zacht, zee. Geluk! Na de wijn toch even de gedachte: wat deed ik?
Natuur....? Eten en gegeten worden....?
Ik eet ze nog steeds! Els Wennekendonk, educatief medewerkster