Net als veel andere planten geven mossen een indicatie van de heersende milieu-omstandigheden. Mossen reageren sneller op veranderingen in het milieu dan de hogere planten. Dit komt doordat mossen water en voedingsstoffen opnemen via de bladeren, direct uit de lucht. De hogere planten hebben wortels voor de opname van de benodigde stoffen. Wortels zitten vaak diep in de grond en reageren daarom langzamer op veranderingen in het milieu. Kleine verschillen in (abiotische) milieuomstandigheden, waaronder iets meer licht, vocht, of kalk, vallen aan de verschillen in de mosflora af te lezen. Aan de hogere planten zijn deze verschillen niet af te lezen doordat op de diepte waar hun wortels zitten deze verschillen niet meer bestaan.
Door de verschillende eigenschappen van de verschillende soorten mossen kan de aanwezigheid van een soort inzicht geven in de processen die zich er afspelen. Mossen die op aan overstuiving blootstaande plaatsen groeien zijn bijna allemaal soorten met omhoog groeiende stengels. Onder struwelen en op andere beschutte plaatsen groeien voornamelijk kruipende mossen. Onder droge omstandigheden hebben mossen geplooide bladeren en een omgerolde bladrand of een bladtop zonder bladgroen, ook wel glashaar genoemd.
Sommige mossen zijn echte pioniersplanten, ruig haarmos legt stuifzand vast, dit is de eerste stap in de successie. Krulmos en paraplutjesmos groeien op brandplekken en zwaar verontreinigende grond.