Sinds 2001 is het Nederlandse deel van de Noordzee een 'landsdeel'. Deze wat merkwaardige titel kreeg de zoute helft van Nederland in het regeringsvoornemen van de Vijfde Nota over de Ruimtelijke Ordening. In de eerdere vier landelijke nota's over het ruimtelijk beleid kreeg de Noordzee geen aandacht. Maar de uitbreiding van het netwerk aan kabels en leidingen, de noodzaak van nieuwe locaties voor delfstoffenwinning, plannen voor windparken, en zendmasten en de spanning tussen de visserij en de natuur maakten het onvermijdelijk dat de landelijke overheid zich ook zou uitspreken over de ruimtelijke problemen in het zeegebied.
Volgens de Nota Ruimte moet de economische betekenis van de Noordzee versterkt worden, maar dit mag niet ten koste gaan van de ecologische en landschappelijke waarden. Bij ruimtelijke conflicten en nieuwe ontwikkelingen moeten de volgende principes de leidraad vormen:
Nut en noodzaak: bij nieuwe activiteiten moet een openbaar belang gediend zijn en het moet gaan om een activiteit die niet op het land te realiseren is;
Het voorzorgsprincipe: onherstelbare verstoring en vervuiling van de zee moeten voorkomen worden. Bij nieuwe activiteiten moeten de gevolgen in beeld worden gebracht en bij twijfel over mogelijke effecten geeft het natuurbelang de doorslag.
Nieuwe economische activiteiten zullen daarom worden getoetst aan de hand van een stappenplan, dat nader uitgewerkt wordt in het Integraal Beheerplan Noordzee 2015. Gebieden met bijzondere natuurwaarden, zoals het Friese Front en de Doggersbank, verdienen volgens de Nota betere bescherming (zie Zeereservaten). Verder is het in de kustzone belangrijk dat er een vrije horizon moet blijven.