Content on this page requires a newer version of Adobe Flash Player.

Get Adobe Flash player

 

Zoek in de Encyclopedie

De onderwaterwereld rondom Helgoland

Het onderwaterlandschap rondom Helgoland, met zijn door de branding gemaakte gaten in de rotsen en uitgebreide wiervelden is uniek voor het zuidelijke deel van de Noordzee. Het kliffenwad met de vele geulen, holtes en dakpansgewijs gestapelde gesteentelagen biedt een ideale, veelzijdige, leefomgeving voor bewoners van hardsubstraat. In de onderwaterwereld van de 2 tot 11 kilometer brede voet rondom het huidige eiland vallen drie verschillende leefomgevingen te onderscheiden: de spatwaterzone (supralitoraal), het kliffenwad tussen het vloedmerk en de laagwaterlijn (eulitoraal) en het sublitoraal beneden de laagwaterlijn. Circa 60 soorten wieren en meer dan 170 soorten ongewervelden hebben zich aan het leven in het getijdengebied aangepast en komen hier voor.

  • Spatwaterzone van Helgoland

    Havenpissebedden leven in de spatwaterzone waar ze in de talrijke vochtige scheuren en kieren een schuilplaats vinden. In de nacht komen honderden kleine oerinsecten tevoorschijn. Dit zijn rotsspringstaarten (Petrobius brevistylis) -verwant aan het bekende zilvervisje- die minuscule algjes en dood plantenmateriaal eten.

  • Eulitoraal van Helgoland (kliffenwad)

    De bovenste zone van het kliffenwad is volledig begroeid met darmwier, klein darmwier en purperwier. Tussen de wieren in de poeltjes tussen de rotsen en in in de ruimtes tussen de overhangende kliffen vindt men de lange zeedraad, de asgrauwe tolhoren (gibbula cinerea), het wandelend geraamte en de wier-etende larven van de getijdenmug clunio marinus. Deze dansmuggen die zoutwater verdragen hebben hun voortplantingscyclus gesynchroniseerd: In de avondschemering in de zomer, 2 dagen na het springtij, komen alle muggen tegelijk uit hun pop. Een lang leven is hun niet beschoren; binnen een paar uur moeten ze zich voortgeplant en de eitjes tussen het wier afgezet hebben.
    Direct onder de darmwierzone begint de gezaagde zee-eikzone, die veel meer diersoorten (99 ongewervelden) herbergt dan de veel langer droogvallende darmwierzone (23 ongewervelden). Hier groeien verschillende soorten zwammen, mosdiertjes, zeeanemonen, slikkokerwormen en andere wormen die kolonies bouwen, vleesetende lintwormen (nemertinen), keverslakken, purperslakken, tepelhorens en manteldieren. Bijzonder zijn de rijkgekleurde platte kreeftachtigen (galathea sp.) die verwant zijn aan de heremietkreeft. Deze kreeftjes verstoppen zich overdag met hun platte achterlijf tussen de scheurtjes in de kliffen en komen 's nachts tevoorschijn om te jagen.
    De gezaagde zee-eik valt te beschouwen als een biotoopje op zich zelf. Op de thallusbladeren leven kalkkokerwormen, mosdiertjes (flustrellidra hispida), gesterde geleikorsten en kwalletjes (craterolophus tethys). Zulke dieren noemt men epifyten (letterlijk: "op planten zitters")

  • Sublitoraal van Helgoland

    Vingerwier en suikerwier kenmerken de overgang naar de zone die altijd onder water ligt, het sublitoraal. In de schaduw van de maximaal 5 meter hoge wieren groeien talrijke groen- en roodwieren, bijvoorbeeld delessaria sanguinea. Typische vissoorten voor deze zone zijn: de vijfdradige meun, de zeedonderpad, het harnasmannetje, grondels en de botervis. In deze zone leven meer dan 130 soorten ongewervelden, waaronder naaktslakken, spuitwormen, kreeftachtigen, zee-egels en zakpijpen. Aan de voet van de vingerwieren leeft bijvoorbeeld het ruig krabbetje, draadwormen en pantopoden (zeespinnen).
    In het sublitoraal worden bij toenemende waterdiepte de biologische factoren steeds belangrijker ten opzichte van de omgevingsfactoren, die op hun beurt weer het belangrijkst zijn in het eulitoraal. De wiervelden van laminaria (bruinwieren) komen tot een diepte van ongeveer 15 meter voor. De diepste zone, van 12 tot 15 meter, wordt begroeid door korstwieren en koraalwier, terwijl op de krijtrotsen kolonie-bouwende wormen een dichtbegroeid gazonnetje gemaakt hebben. Gewone zeekreeften, Noordzeekrabben, zeesterren, zonnesterren, zwammetjes, zakpijpen en schilferige dekschelpen zijn de ongewervelden die in deze zone leven. De visfauna in deze zone bestaat uit kliplipvissen en daarnaast in de winter ook jonge koolvissen.

  • De Tiefe Rinne en de amphioxuszandgronden

    Zuidwestelijk van Helgoland ligt de "Tiefe Rinne", een gebied waarvan de bodemfauna overeenkomsten vertoond met gebieden in de westelijke en centrale Noordzee. Hier zijn de spinkrab, de kleine slangster, priktolhorens en mantelschelpen te vinden. In een zandgebied, noordwestelijk van Helgoland, kan men lancetvisjes aantreffen. Deze dieren lijken nog sterk op de voorouders van de eerste gewervelden. De naam "amphioxuszandgronden" is afkomstig van de latijnse naam voor de lancetvis.