De eerste platforms zijn tussen 1970 en 1980 in de Noordzee geplaatst. Zij hebben in de afgelopen 30 jaar alle olie of gas uit een veld opgepompt en zijn daarom overbodig geworden. Sommige platforms zijn al jaren verlaten. Vanaf 1996 worden jaarlijks platforms in de Noordzee uit productie genomen. Op het Nederlandse deel van de Noordzee werd het eerste platform in 1996 verwijderd, en in de toekomst zal men elk jaar enkele platforms demonteren.
De grootste platforms staan op het centrale en noordelijke deel van de Noordzee. Sommige constructies hebben een gewicht tot 800.000 ton. Het verwijderen van zo'n massa vereist veel hefcapaciteit, transportmogelijkheden en veiligheidsvoorschriften. Dit maakt de ontmanteling van boorplatforms erg duur.
Het klassieke voorbeeld is de Brent Spar. Shell wilde dit afgedankte olie-opslagplatform in 1995 in zee laten zinken, maar door acties van Greenpeace werd dit voorkomen. Zie de weblinks voor een uitgebreid document over deze kwestie.
Op het zuidelijk deel van de Noordzee, waar kleinere platforms staan, is het volledig verwijderen van de installaties en het transport naar het vasteland relatief eenvoudig. Volgens de Mijnwet moet in het Nederlandse deel van de Noordzee ieder platform dat niet langer gebruikt wordt, geheel afgebroken worden, ook het onderstel. Driekwart van de platforms in de Noordzee staat in relatief ondiep water tot 55 meter. Het Britse en Noorse deel van de Noordzee is vrijwel overal dieper.
De Groningse autoriteiten maken zich sterk voor een functie van de Eemshaven bij het ontmantelen van de boorplatforms. In 1997 gaf het Havenschap Delfzijl/Eemshaven groen licht voor een verplaatsing van de zeedijk, zodat er 180 hectare buitendijks industrieterrein ontstaat. De kans bestaat dat scheepswerven zich hier vestigen, maar ook de 'mera' (milieu, energie, recycling en afval)-sector (waar de ontmanteling van boorplatforms toe wordt gerekend) krijgt hier nieuwe kansen.
De meest gezaghebbende richtlijnen komen tot nu toe van de Internationale Maritieme Organisatie. Zij heeft bepaald dat in ieder geval het topdek met de installaties en het deel direct onder de zeespiegel volledig verwijderd moet worden. Onder water mogen alleen die delen blijven staan, die tot op een diepte van 75 meter geen obstakel vormen. En dan alleen nog als voor de onderdelen geen nieuwe bestemming bestaat, verwijdering technisch niet haalbaar is en extreme kosten veroorzaakt of onacceptabele risico's meebrengt.