In de Noordzee komen tegenwoordig wieren en zeedieren voor uit onder andere Japan, Amerika en Nieuw-Zeeland. Op zich is de uitbreiding van het aantal soorten interessant, maar omdat het verschijnsel zich wereldwijd voordoet worden de verschillen in fauna tussen de verschillende kustmilieus wel steeds kleiner. Het is ook mogelijk dat een nieuwkomer een oude, inheemse soort verdringt omdat de nieuwkomer beter is aangepast aan de omstandigheden waaronder beide soorten leven. Op het land en in zoetwater zijn daar veel voorbeelden van. Japanse oesters zijn in de Oosterschelde uitgezet en hebben zich verspreid over een groot gebied. Japanse oesters groeien sneller dan de 'normale' oesters. Vele Duitse mosselbanken zijn inmiddels gekoloniseerd door deze reuzenoester. Met de oester is overigens ook een nieuwe soort bruinwier geïntroduceerd.
De introductie van nieuwe soorten kan niet alleen schadelijk zijn voor de ecologie, maar ook voor de economie. De oorspronkelijk uit Zuidoost- Azië afkomstige dinoflagellaten Gymnodinium en Alexandrium zijn ondertussen bijna wereldwijd verspreid. Sommige soorten dinoflagellaten produceren giftige stoffen die schadelijk zijn voor vissen, zeezoogdieren en de schelpdieren in mossel- en oesterkwekerijen. Doordat het gif zich in het schelpdier ophoopt kan dit ook gevaarlijk zijn voor mensen.
De giftige alg Alexandrium: sinds 1965 in het Noordzee-gebied actief
Begin 1999 werd in de Oosterschelde Undaria pinnatifida, een voor Nederland nieuwe wiersoort, ontdekt. Deze eetbare soort heet in Japan Wakame. Dit wier kan zo'n 2 meter groot worden.
Andere uitheemse soorten die zich met succes hier hebben kunnen vestigen zijn onder andere de Nieuw-Zeelandse pok die in 1945 met Britse oorlogsschepen naar Europa is gebracht, de Chinese wolhandkrab, de zeldzame Noord-Amerikaanse blauwe zwemkrab, de hier zeer goed gedijende Amerikaanse zwaardschede en het Japans bessenwier. Een ander voorbeeld is de Amerikaanse boormossel, die met de witte boormossel concurreert.