Hardy's planktonrecorder uit 1936 is een klassieker in het zee-onderzoek. Nog altijd wordt dit torpedovormige apparaat, dat voor het eerst systematisch in het Engelse Kanaal en in de Noordzee ingezet werd, aan schepen gehangen. Het water stroomt via de mondopening naar binnen en stroomt er aan de andere kant weer uit. Daartussen zit een stuk fijn planktongaas, waarin de in het water zwevende organismen blijven hangen. Het gaas loopt over een rol door een formalinetank, waar de organismen geconserveerd worden. Het geniale idee van sir A. Hardy was om dit apparaat aan schepen te hangen, waardoor op den duur een enorme planktondatabank van alle wereldzeeën samengesteld wordt.
Nekton-net om plankton te vangen
Zoöplankton wordt tegenwoordig vaak met een net gevangen, die soms uit 12 lagen bestaat. Een geraffineerd klapmechanisme zorgt ervoor dat telkens maar 1 netopening op een bepaalde waterdiepte geopend is, waardoor de planktonsoorten aan de waterdiepte gekoppeld kunnen worden. In plaats van de vroeger gebruikte waterscheppers en kiepthermometers worden tegenwoordig zogenaamde CTD-sondes (Conductivity-Temperature-Depth) gebruikt. Deze kunnen het zoutgehalte, de temperatuur en de waterdiepte gelijktijdig meten. Een rozet van vergaarbakjes kan watermonsters op iedere gewenste diepte verzamelen. Dikwijls zijn ook stromingsmeters en optische meetgereedschappen ingebouwd, die het gehalte aan zwevende deeltjes in het water meten. In het laboratorium op het schip staat een 'flowcytometer'. Een watermonster vloeit hier door een enorme meetkamer waar afhankelijk van de behoefte, de grootte, vorm en fluorescentie van de deeltjes vastgesteld wordt. De laatste tijd wordt ook geprobeerd met sondes die onder helikopters hangen zoveel mogelijk metingen in korte tijd te nemen, omdat de meeste onderzoeksschepen maar met 11 knopen (zeemijl per uur) varen. Ook van nog hoger uit de lucht -namelijk met behulp van de NOAA-satellieten- wordt planktononderzoek gedaan: Remote Sensing. Hierbij wordt de reflectie, bijvoorbeeld de verzwakking van de elektromagnetische straling (bijvoorbeeld infrarood licht) door de bovenste waterlaag gebruikt om gebieden met een grote oppervlakte te onderzoeken. Op deze manier schat men de primaire productie van algen -het bladgroen geeft een duidelijk signaal- en het zwevend stof gehalte in de Noordzee. Uit deze onderzoeken is duidelijk geworden hoe belangrijk de toestroom van Noordatlantisch water voor alle productieprocessen in de Noordzee is.