Dit soort vragen kunnen nog niet goed beantwoord worden, laat staan dat er conclusies uit te trekken zijn, zo vindt Bernard Spaans van het Instituut voor Bos en Natuuronderzoek (nu IMARES) op Texel. Hij verrichtte in 1995 een verstoringsonderzoek aan wadvogels in opdracht van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.
Eind januari 1996 kwam het rapport uit met zijn bevindingen en enkele voorzichtige aanbevelingen. Het verstoringsonderzoek is een onderdeel van een grootschalig recreatie-onderzoek kustwateren, dat in 1993 begon. Bij zowel de ministeries van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij als Economische Zaken én de Stuurgroep Waddenprovincies bestaat behoefte aan meer kennis over de gevolgen van recreatieve en toeristische ontwikkelingen voor de natuur in de kustwateren, buiten het waddengebied ook het Oosterschelde-gebied en de Voordelta.
Het verstoringsonderzoek aan wadvogels is per einde 1995 afgerond. Het ging niet specifiek over broedvogels. In totaal zijn 44 periodes van 4 uur rond hoogwater opgenomen in het onderzoeksprogramma. Alle waarnemingen zijn gedaan op hoogwatervluchtplaatsen, op kwelders bijvoorbeeld. Het leverde 431 verstoringen op, verdeeld over natuurlijke (vooral door roofvogels) en menselijke (wadlopen en droogvallen van boten bijvoorbeeld). De onderzoekers hebben geteld op acht locaties die het gehele waddengebied bestrijken, aan de noordkant van Texel, op het Balgzand bij Den Helder, aan de Friese noordkust, aan de kusten van Ameland en Schiermonnikoog, de Groningse kust en de Dollard. In de Oosterschelde is hetzelfde onderzoek uitgevoerd.
Gekeken is, op het wad en op het land, naar de opvliegafstanden, het langsvaren van schepen, het wadlopen, het droogvallen van boten en het pierensteken. Wat direct opviel was dat de vogels op hoogwatervluchtplaatsen vaker door roofvogels verstoord werden dan door mensen. Daarentegen kwamen de verstoorde vogels op hun oorspronkelijke rustplek terug als de roofvogel verdween. Dat gebeurde veel minder als mensen de vogels verstoorden. Dan vlogen veel vogels naar andere plaatsen.
De duur van de verstoring op hoogwatervluchtplaatsen varieert nogal. De wulp bleef gemiddeld ruim een minuut in de lucht, terwijl een bonte strandloper gemiddeld pas na 5 minuten weer tot rust kwam. Kleine vogels schrikken het meest van roofvogels, gaan eerder de lucht in en blijven ook langer in de lucht.
Van groot belang is verder op welke locatie op het wad de foeragerende vogels verstoord worden. Is dat een drukke plek waar veel mensen komen of is dat een stille plek. Voor dit onderzoekje zijn drie locaties gepeild: de Mokbaai aan de zuidzijde van Texel (tamelijk druk), de Vlakte van Kerken aan de noordoostkant van Texel (redelijk rustig) en het wad aan de Groninger kust (erg stil). Op de laatste locatie blijken de vogels het schuwst; op de eerste locatie het tamst.
Volgens Bernard Spaans blijkt uit de gegevens van de recreatievaart in de Waddenzee dat die sinds 1972 gestaag is blijven toenemen. Vergelijkingen met eerdere onderzoeken onder vogels doen hem concluderen dat vooral de vogels in het waddengebied tussen 1985 en 1995 tammer zijn geworden. In de Oosterschelde was minder verschil te zien in de vergelijkbare periode.
Droogvallende boten en pierenstekers verjagen vogels. Dat wordt nog eens bevestigd door dit onderzoek. Deze menselijke verstoringen hebben voor bijvoorbeeld scholeksters effecten tot op 300 meter. Uit het onderzoek bleek dat deze vogel nog relatief weinig gevoelig is voor verstoring ten opzichte van wulp, zilverplevier, rosse grutto, bergeend een tureluur. Belangrijk hierbij is wel of in het gebied veel of weinig voedsel voor de vogels ligt. Liggen er veel schelpdieren, dan komen de meeste vogels snel terug. In het andere geval blijven ze weg.
Spaans vraagt zich af of de schuwste vogels door eerdere verstoringen al niet weggetrokken zijn naar rustiger streken. Bewijzen hiervoor heeft hij niet. Ziet hij meer tamme vogels, omdat ze gewend geraakt zijn aan de verstoringen, of zijn alleen de tammere vogels overgebleven en zijn de schuwere weggevlogen?
In 2003 werd een Erecode voor het droogvallen geïntroduceerd door het ministerie van LNV, waarin staat hoe de gebruikers van het wad hun verantwoordelijkheid moeten nemen. In 2004 concludeerde LNV dat de code werkt. Van de 2300 waargenomen drooggevallen schepen veroorzaakten er 28 verstoring. Meestal ging het daarbij om een loslopende hond.
In 1997 wilde het kabinet verstoring van de fauna door de kleine luchtvaart terug dringen. Zij overwoog om de minimum vlieghoogte van sport-, zaken-, les- en reclamevluchten te verhogen tot 300 meter. Voor het vliegen boven natuurgebieden met nationaal belang werd een nog hogere minimum vlieghoogte of zelfs een vliegverbod overwogen. Dit bleek uit de Beleidsvisie Kleine Luchtvaartinfrastructuur. Ook staat er in deze visie dat het kabinet de geluidhinder van de kleine luchtvaart terug wil brengen door het laten aanbrengen van uitlaatdempers en geluidarme propellers.