Content on this page requires a newer version of Adobe Flash Player.

Get Adobe Flash player

 

Weidevogels

De Hollandse en Friese weidegebieden worden bevolkt door een kenmerkende groep vogelsoorten: de weidevogels. Zij broeden tussen het gras en zoeken hun voedsel in het weiland of langs de sloten. Er zijn soorten die alleen gedijen bij zeer extensief beheer, zoals kemphanen en tureluurs, of bij gemiddeld extensief beheer, zoals grutto's en kieviten, en soorten die nog minder kritisch zijn, zoals scholeksters. Veel boeren nemen maatregelen om de weidevogels op hun land te beschermen.

  • Weidevogelreservaten

    Het gaat niet goed met de weidevogels in Nederland. Zonder ingrijpen zal het aantal kieviten, grutto's en andere weidevogels rond 2020 gehalveerd zijn volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. Volgens wetenschappers komt dat onder andere doordat de helft van het land waar beheer wordt uitgevoerd voor weidevogels niet meer geschikt is. Het beheer zou doorgeschoten zijn: er wordt juist te weinig echt geboerd, er zijn te weinig koeien en er wordt te weinig gemaaid. In gebieden waar wel gemaaid wordt, gebeurt dit vaak te vroeg, waardoor jonge vogels een gebrek aan lang gras hebben. Hierdoor kunnen ze niet tegen roofvogels schuilen en is er ook te weinig voedsel aanwezig. Ook in natuurgebieden gaat de weidevogelstand echter achteruit, zoals tussen Alkmaar en Purmerend waar de oorzaak ligt in toenemende verzuring, verruiging met pitrus, riet en boomopslag.
    Vogelbescherming Nederland beveelt de overheid en terreinbeheerders aan om zich sterker in te spannen voor de bescherming van de weidevogels. Dat kan alleen maar door de inrichting van weidevogelreservaten, waar het graslandbeheer helemaal is afgestemd op de behoeften van de vogels.

  • Predatoren

    De vos werd altijd als grootste vijand van weidevogels zoals grutto's gezien, maar dit blijkt niet waar te zijn. Behalve vossen, is er ook nog een hele reeks andere roofdieren die de eieren en kuikens van weidevogels bedreigen. Zo worden de eieren geroofd door steenmarters, hermelijnen, egels, bunzings en vogels zoals kraaien, haviken, buizerds, scholeksters en bruine kiekendieven, zo bleek uit een grootschalig onderzoek in 2005. De kuikens werden vooral gepakt door blauwe reigers en buizerds.
    Als weidevogels met veel zijn, kunnen ze dicht bijelkaar broeden en elkaar tegen roofdieren beschermen. Nu er minder weidevogels zijn, is het voor roofdieren waarschijnlijk makkelijker om de eieren of jongen te roven. Een andere hypothese is dat als reactie op de afname van het aantal weidevogels de vogels tegenwoordig meer verspreid gaan zitten, zodat de vos ze minder makkelijk vindt.
    De liefde voor de weidevogels gaat helaas gepaard met wraakacties tegen roofvogels. Zo zijn er in Nederland in 2005 minimaal 635 roofvogelnesten verstoord door 'vogelliefhebbers'.
    In het Friese Grootegast wil men roofdieren minder kansen geven door bijvoorbeeld bomen en struiken te verwijderen, waarin ze op de uitkijk kunnen staan. Ook moeten kuilbulten in de winter afgedekt worden om kraaien te weren en kunnen nesten van geurstoffen worden voorzien. Eigenaren van katten zouden voorlichting moeten krijgen over het binnenhouden van hun huisdieren in de broedtijd.
    Om grutto's en andere weidevogels te redden moeten er volgens de onderzoekers een aantal kerngebieden komen waarin op ouderwetse manier geboerd wordt, dus een hoge waterstand, koeien in de wei en bloemrijk hooi- en weiland.
    Het ministerie van LNV ontwikkelt actief beleid met betrekking tot het aantal weidevogels dat er in Nederland moet kunnen leven. Alle deskundigen worden verenigd in een weidevogelkennisnetwerk. Voor de meest bedreigde soorten als de kemphaan wil de minister ongeveer 30.000 hectare reserveren. Voor "kritische soorten" zoals de grutto ruimt hij meer ruimte in: van 100.000 hectare nu naar 250.000 hectare in de toekomst. In 2010 mag het aantal weidevogels niet meer teruglopen. De minister wil binnen enkele jaren het accent van de weidevogelbescherming verleggen van nestbescherming naar mozaÔekbeheer, waarbij stroken gras niet gemaaid worden. In het langere gras hebben de jongen meer kans om veilig op te groeien en zijn er meer insecten aanwezig die als voedsel dienen.