De gewone zeehonden uit de Waddenzee trekken vooral in de winter de zeegaten uit om te jagen. De platvis is dan immers het koude water op het wad ontvlucht en houdt zich in wat dieper Noordzee-water op. Waarnemingen vanaf schepen laten zien dat de meeste zeehonden te vinden zijn rond de 10-meter dieptelijn. Incidenteel jagen zeehonden tot aan de twintig meter diep.
Meeuwen en sterns, die op de eilanden broeden, foerageren zowel in de Waddenzee als langs de kust in de Noordzee. Ook aalscholvers beschouwen de kuststrook en het wad als één geheel om te jagen op de kleine vissoorten waar ze van leven.
Zwarte zee-eenden zijn tegenwoordig vooral bekend van de buitengaatse kustwateren. Maar tot in de jaren zestig van de vorige eeuw werden zij ook regelmatig waargenomen in de westelijke Waddenzee. Iets dergelijks geldt ook voor bruinvissen. Die kwamen vroeger veelvuldig voor in de zeegaten en in de diepere geulen op het wad, maar worden nu alleen nog in de kustwateren waargenomen.
Voor veel diersoorten vormen de Waddenzee en de kustwateren dus een samenhangend geheel. Dit vormde de achtergrond voor het besluit om ook een strook kustwater tot het internationale samenwerkingsgebied voor de beschrming van de Waddenzee te rekenen.