Content on this page requires a newer version of Adobe Flash Player.

Get Adobe Flash player

 

Zoek in de Encyclopedie

Zeevissen

aantal soorten wereldwijd:

meer dan 20.000

aantal soorten in Noordzee:

ruim 220

grootste Noordzeevis;

is de reuzenhaai, maximaal 15 meter lang, 15.000 kilo

kleinste Noordzeevissen:

zijn grondeltjes (zo groot als een garnaal)

vijanden:

alle viseters, de mens (visserij, vervuiling, geluidsoverlast), ziektes

voedsel:

plankton, bodemfauna, kreeftachtigen, holtedieren en andere vissen

Stekelrog, Ecomare, Peter van der Wolf

Zeevissen

In de Noordzee leven ongeveer 220 vissoorten. Een paar daarvan zijn bekend van onze eettafel: haring, kabeljauw en schol. Er wordt intensief gevist op de Noordzee, waardoor een aantal vissoorten zoals kabeljauw bedreigd wordt in hun bestaan. Andere problemen in de Noordzee ontstaan door vervuiling met giftige stoffen en door overmatige toevoer van meststoffen.

  • Een leven lang onder water
    Zeebaarzen, Ecomare, Peter van der Wolf

    Alle vissen zwemmen, maar er zijn grote verschillen in het zwemgedrag. Stayers als makreel, haring en sprot kunnen lange tijd behoorlijk snel zwemmen. Kabeljauw, schelvis, tong en schol zijn echte sprinters: zij kunnen slechts korte tijd snel zwemmen. Dit verschil is goed te zien aan de spieren. Bij stayers zijn de spieren goed doorbloed (rood). Sprinters hebben witte spieren die snel uitgeput raken.
    Elke vissoort verblijft bij voorkeur op plaatsen waar het voedsel van zijn keuze te vinden is. Haring, makreel en sprot bijvoorbeeld leven in de bovenste waterlaag, meestal in grote scholen. Hun voedsel bestaat uit plankton of kleine vis. Deze bewoners van open zee noemt men pelagische vissen. Ze hebben vaak een speciale kleur om niet op te vallen voor roofvijanden: een groenblauwe rug en een zilverwitte buik. Voor zeevogels is de vis daardoor slecht te zien in het groenblauwe oppervlaktewater. Voor roofvissen valt het dier zo van onderen gezien weg tegen het heldere licht van boven.
    In het algemeen wordt gedacht dat vissen in scholen zwemmen omdat ze dan beter beschermd zijn tegen roofvissen. Volgens een nieuwe theorie bespaart het zwemmen in scholen ook veel energie. Uit onderzoek blijkt dat een vis gebruik kan maken van de wervelingen in de waterstroming die teweeg wordt gebracht door zijn voorganger. Hierdoor hoeft een vis in plaats van alle spieren, alleen zijn voorste spieren te gebruiken.
    Bodemvissen, zoals schol en tong, leven op de zeebodem en voeden zich met bodemdieren en kleine vissoorten. Om beter gecamoufleerd te zijn, hebben ze vaak een kleurpatroon dat overeenkomt met de zeebodem ter plekke. Tarbotten kunnen zelfs hun kleur aan de omgeving aanpassen. Bodemvissen graven zich ook vaak in.
    Roofvissen voeden zich met kleinere vissen. Zij kunnen zich zowel bij de bodem (kabeljauw en schelvis) als dicht bij het wateroppervlak (geep, zeebaars en wijting) ophouden. Voor hun rol als rover zijn ze goed toegerust: het zijn snelle zwemmers met een grote bek en vaak scherpe, naar achteren gerichte tanden.

  • Voortplanting

    Vissen hebben vaak veel nakomelingen, vooral de soorten waarvan de eitjes vrij in het water zweven. Een kabeljauw legt tot één miljoen eitjes per jaar. Veel viseitjes en -larven worden opgegeten door andere dieren. Slechts een klein deel groeit uit tot volwassen vis. Bij soorten als haring en zandspiering worden de eieren op de zeebodem afgezet. De eitjes zijn minder kwetsbaar, zodat deze vissen met minder toe kunnen. Zo produceert de haring per jaar 30.000 eitjes. Andere soorten, zoals hondshaai en stekelrog, leggen nog minder eieren, zo'n 140 stuks.
    Vissen hebben voor hun voortplanting vaste plekken. Zo zetten haringen hun eieren (kuit) alleen af op grind of schelpenbanken, o.a. voor de Engelse en Schotse kust. Na het bevruchten van de eitjes door de mannetjes met zaad (hom) gaan de volwassen vissen weer terug naar de noordelijke en centrale Noordzee. Zandspieringen leggen hun eitjes in het zand.
    De eieren en larven van haring, kabeljauw, platvissen en veel andere soorten horen bij het dierlijk plankton. Ze leven in de bovenste waterlagen van de zee en eten voornamelijk roeipootkreeftjes. Pas als ze groter worden kunnen ze zich onafhankelijk van de waterstromen voortbewegen en behoren dan niet meer tot het plankton. Soorten als haring en sprot gaan dan zelf plankton eten.

  • Paaiplaatsen en kinderkamers

    Het gebied waar de vrouwtjes kuitschieten en de mannetjes de eitjes, heet de paaiplaats. Vislarven groeien het best op in zeegebieden met een grote voedselrijkdom: de kinderkamers. Paaigebieden zijn zo gesitueerd zijn dat eieren en larven door de stromingen naar een kinderkamergebied worden getransporteerd met een reistijd die is afgestemd op de ontwikkelingsduur van de larve tot een jonge vis. Het verschil in goede en slechte jaarklassen bij vissen wordt daarom wel toegeschreven aan een verschil in stromingspatronen. De kustwateren, met name de Waddenzee, zijn van belang als kinderkamer of paaigebied voor een aantal vissoorten die voorkomen in de Noordzee. Vissen als de haring, de zandspiering, de kabeljauw en de schol paaien een flink eind uit de kust. Hun kinderkamers liggen vrijwel allemaal direct voor de kust en in de Waddenzee.

  • Eten en gegeten worden
    Ingewikkeld voedselweb in de Waddenzee, Ecomare

    Vissen zijn niet de enige dieren die in de Noordzee leven. Onder de golven is een grote verscheidenheid aan planten en dieren. Al dit leven in zee is afhankelijk van elkaar: de een is het voedsel voor de ander. Fytoplankton vormt de basis van het grootste deel van het leven in zee. Het fytoplankton wordt gegeten door het zoöplankton, zoals roeipootkreeftjes, en larven van bodemdieren en vissen. Dit zoöplankton wordt gegeten door allerlei bodemdieren en kleine vissen als haring en sprot, en zij staan weer op het menu van grotere vissen als kabeljauw en schelvis. De vissen vallen ten prooi aan zeevogels, zeezoogdieren en mensen. Dit systeem van eten en gegeten worden heet voedselketen. De werkelijkheid is ingewikkelder dan hierboven beschreven. Zo eten planktondieren ook elkaar: vislarven bijvoorbeeld eten roeipootkreeftjes. Verder eten jonge vissen andere prooien dan volwassen vissen.

  • Mensen en vissen
    Eurokotter, vissend, RWS, Directie Noordzee

    Door de zeevisserij oefent de mens zijn grootste invloed uit op de vissen. Door roofvissen (kabeljauw) weg te vangen nemen de kansen voor hun prooidieren (haring) toe. Maar ook zeldzame soorten, die commercieel oninteressant zijn, worden beïnvloed door de visserij, en meestal niet ten goede. Verschillende soorten roggen en haaien zijn vrijwel verdwenen uit de Noordzee, omdat zij per ongeluk in de netten van de vissersvloot terecht kwamen. Wereldwijd hebben de oceanen, sinds de industriële visserij zich in de jaren zestig echt op grote schaal ontwikkelde, meer dan 90% van hun grote roofvissen zoals tonijn en zwaardvis verloren.
    Ook de verhoogde aanvoer van meststoffen is, vooral in de kustwateren en getijdengebieden, van grote invloed op de vispopulaties. Enerzijds kan dit gunstig zijn: meer voedingsstoffen, meer plankton, meer jonge vis die snel opgroeit. Maar na een grootschalige algenbloei kan de visfauna van een zeegebied het moeilijk krijgen door gebrek aan zuurstof. En tenslotte is de verontreiniging van het zeewater met een veelheid aan giftige stoffen ook een nadelige invloed: vislarven overleven een olieramp of een teveel aan bestrijdingsmiddelen niet, en volwassen vis kan behoorlijk ziek worden van een overdosis gif.