Geregeld verdrinken zeevogels en ook zeezoogdieren in de netten van de staand-want-visserij. Zo is voor de Noorse kust vastgesteld dat per jaar ongeveer 30.000 zeekoeten in visnetten omkomen.
In de jaren tachtig van de vorige eeuw leek met de opkomst van de industrievisserij een einde te zijn gekomen aan de groei van de zeevogelbevolking in de Noordzee. De industrie-visserij vangt kleine visjes zoals zandspiering en sprot, die het voedsel zijn van veel zeevogelsoorten. De gevangen zandspiering en sprot wordt tot vismeel vermalen, dat wordt gebruikt als veevoer, als voedsel voor viskweek, in blikjes en brokjes voor honden en katten, en zelfs als mest. Voor 1950 was deze vorm van visserij op de Noordzee vrijwel onbekend, maar in de jaren zeventig van de vorige eeuw groeide de vangst tot ongeveer twee miljoen ton vis per jaar (tegen één miljoen ton vis voor menselijke consumptie). Veel industrie-vis komt van Deense en Noorse vissers, die daarvoor in de Noordzee veelvuldig gebruik maken van reusachtige ringnetten. Naast zandspiering en sprot wordt veel jonge haring meegevangen.
De eerste gevolgen van al dat gevis lijken zich al af te tekenen. Op de Lofoten, een eilandengroep voor de Noorse kust, lukte het begin jaren negentig van de vorige eeuw slechts één op de duizend ouderparen papegaaiduikers om hun jong groot te krijgen. Zandspiering en jonge haring is het voedsel dat jonge papegaaiduikers nodig hebben en dat was er niet meer. De papegaaiduikers van de Lofoten vergrijsden. Jongere generaties ontbraken. Zeekoeten en drieteenmeeuwen verkeerden in een zelfde situatie.
Ook in de Noordzee zijn er zulke problemen ontstaan. Na 1982 is de zandspiering rond de Shetland-eilanden in aantal achteruit gegaan. Rond deze eilandengroep werd er veel gevist: van 1974 tot 1982 steeg de vangst van zandspiering razendsnel van 8000 naar 52.000 ton per jaar. Vanaf 1983 hebben vooral noordse sterns, maar ook kleine jagers, drieteenmeeuwen, papegaaiduikers en noordse stormvogels slechtere broedresultaten als gevolg van voedseltekorten. In 1988 en 1989 werden in de kolonies van de grote en kleine jager, noordse stormvogel en drieteenmeeuw zelfs vrijwel geen jongen meer grootgebracht. Het aantal noordse sterns was inmiddels met 70% afgenomen.
In bovenstaande gevallen is niet bewezen dat de visserij de directe oorzaak is. Mogelijk zijn de problemen bij de Lofoten en Shetlands mede in gang gezet door een verandering in het stromingspatroon van het water. Wijzigingen in stroomrichting, zoutgehalte of temperatuur kunnen grote invloed hebben op de visstand. Men kan wel grote vraagtekens plaatsen bij het verslechteren van de situatie voor de zeevogels.
Er zijn echter nog meer signalen waaruit blijkt dat de vogels op de Noordzee zowel in het broedseizoen als in de winter problemen hebben met het vinden van voldoende voedsel. Zo is er in Nederland in de winters van de jaren tachtig van de vorige eeuw een toename geweest in de aantallen aangespoelde dode zeekoeten, alken en drieteenmeeuwen. Gedeeltelijk als gevolg van verhongering, gedeeltelijk als gevolg van chronische (olie)vervuiling en gedeeltelijk doordat er meer vogels in de zuidelijke Noordzee overwinteren. In de loop van de jaren negentig van de vorige eeuw leek enige verbetering op te treden, voor zover het ging om olieslachtoffers.