Griend wordt altijd in één adem genoemd met Terschelling. Het eilandje is echter op een heel andere manier ontstaan.
Begin Middeleeuwen lagen er ten zuiden van Terschelling, Ameland en Schiermonnikoog uitgebreide kweldervlaktes. Via dergelijke kweldervlaktes zijn waarschijnlijk de eerste pioniers naar Terschelling getrokken. Griend, toendertijd een dorpje of stadje, lag ook op het hoogste deel van zo'n uitgestrekt kweldergebied. Tijdens de St. Luciavloed, op 14 december 1287, spoelde het dorpje Griend vrijwel compleet weg. Het gebied werd een soort 'hallig': een eilandje opgebouwd uit kwelderresten (in het Duitse waddengebied komen ze nog voor). Door afkalving door de zee ontstond een klifkust, die beetje bij beetje in zee verdween. Eind 14e eeuw was het oppervlak van Griend nog 165 hectare.
Op een gegeven ogenblik vond er door het Vlie een tijdlang een grote zandaanvoer plaats (misschien door uitschuring van het zeegat of door een grote afslag elders). Een deel van dit zand zette zich af op Griend, dat precies in de lijn van het zeegat lag, waardoor er een lage strandwal van enkele meters hoog ontstond, met de vorm van een sikkel of barchaan.
Al sinds honderden jaren is er geen sprake meer van een kweldervlakte. Griend is nu het hoogste deel van de zogenaamde Grienderwaard, een uitgestrekte wadplaat, met vrij dicht onder het oppervlak nog de oude klei- en zandpakketten. Vooral aan de noordwest kant ligt de Grienderwaard open voor zee: de niet geringe stroom van het Vlie. Over de waard heen tast deze stroming bij storm de lage strandwal met duintjes van het eilandje regelmatig aan.
Westwaarts van de Grienderwaard liep de Vliestroom, noordwaarts de Meep, en zuidwaarts de Blauwe Slenk. Aan drie kanten was de plaat dus omgeven door diepe geulen. Aan de oostkant was er een overgang naar de wadvlakte onder de Friese kust.
Onder invloed van water en wind verplaatste het sikkelvormige eilandje Griend zich geleidelijk in oostelijke richting. Tussen 1850 en 1910 is de verplaatsing ongeveer 350 meter. Volgens berekeningen moest dit sinds de 13e eeuw in totaal meerdere kilometers zijn geweest. Het totale oppervlak was eind 19e eeuw ongeveer 25 hectare.
Tot 1932 was er steeds evenwicht tussen aantasting en aangroei; zand dat aan de westkant wordt weggeslagen, kwam oostwaarts weer ten goede aan het eilandje. Fijn slib bezonk oostelijk en vormde er nieuwe kwelders tussen de armen van de strandwal.
Door een ondiepe geul, meer een verlaging in de bodem, in de Grienderwaard reikte de Vliestroom bij vloed tot aan Griend. Hier splitste zich dit geultje en een noordelijk en een zuidelijk deel: het zogenaamde zwin. Het was een ondiep geultje, dat alleen bij laag water zichtbaar was en zich sikkelvormig uitstrekt voor de sikkelvormige strandwal.
In 1913 had de Texelse familie Lap rechten op Griend. De eveneens Texelse natuurbeschermer en vogelkenner Drijver stelde al in dat jaar voor Griend aan te kopen en er een natuurgebied van te maken.