Rivieren moeten de ruimte krijgen om te stromen en te overstromen. Stroomgeulen, slikken, schorren en uiterwaarden vormen dan een natuurlijk systeem waar de geulen meestal vanzelf op diepte blijven. Vandaag zijn echter veel van de natuurlijke overstromingsgebieden van de Schelde en haar zijrivieren ingenomen. Reeds in de tiende eeuw moesten oeverbewoners het Scheldewater buitenhouden door het opwerpen van dijkjes. In de latere eeuwen werden de dijken nog hoger en sterker. En zo ging het verder tot in de twintigste eeuw. Van de 45.000 hectare wateroppervlak die de Westerschelde in 1800 bestreek, is vandaag zo'n 15.000 hectare omgevormd in havengebied en industrieterreinen, akkerland, poldergrasland of binnendijks natuurgebied. Ook de totale oppervlakte van de Zeeschelde is in diezelfde tijdsspanne met een derde gekrompen. Grote steden zijn in het winterbed van de rivieren in het Zeescheldebekken gebouwd. En dit raakte de laatste decennia letterlijk in een stroomversnelling. Wanneer de rivier zijn winterbedding in zou nemen, zouden deze gronden en woonwijken onvermijdelijk onder lopen. Hoe meer economische functies voorzien zijn in het valleigebied van een rivier, des te groter wordt ook de schade bij overstroming, en -dus- des te hoger de dijken en kaden. Door de ingrijpende veranderingen kan het getij zich niet meer verliezen in de valleigebieden van de Schelde. Door gebrek aan ruimte stuwt het vloedwater steeds dieper het land in en zorgt het stroomopwaarts voor overstromingsgevaar. Ook ingrepen aan de bovenrivieren zorgen ervoor dat grote hoeveelheden water door de rivier worden gejaagd en stroomafwaarts voor problemen zorgen. De achillespees van de Schelde is altijd al haar bevaarbaarheid geweest. Grote hoeveelheden zand en slib worden door de waterloop vervoerd, zetten zich af in de stroomafwaartse gebieden en brengen de bevaarbaarheid van de stroom in het gedrang. In het verleden groeiden de schorren gewoon mee, maar nu zorgen de dijken ervoor dat ze niet meer kunnen uitbreiden in oppervlakte, en zo stapelt zand op in de geulen. Zo wordt de overgang tussen geulen en schor steeds steiler en ontstaan hoge schorkliffen die eroderen door stroomsnelheden. Niet enkel de schorren verdwijnen, ook slikken zijn kwetsbaar. Op basis van luchtfoto’s kon worden aangetoond dat 5 procent van de grote schorren langs de Zeeschelde door afslag in slik veranderde terwijl 30 procent van de slikken niet meer boven water kwamen tijdens laagtij tussen 1990 en 2003. Door extra ruimte voor het overtollige water te voorzien op plaatsen waar nog geen bebouwing is, kan wateroverlast in de bewoonde zones voorkomen worden. De afgelopen jaren werden al verschillende gecontroleerde overstromingsgebieden (GOG) (vb. Kruibeke-Bazel-Rupelmonde) aangelegd. Terug ruimte geven aan de Schelde kan ook door ontpolderingen en door meanders en oude rivierlopen terug in verbinding te stellen met de hoofdrivier.