Het onderzoek is in drie stukken verdeeld. Het eerste richt zich op het vinden van verbanden tussen de aantallen wadvogels en de eigenschappen van het wad en de daarin levende prooidieren. Het tweede richt zich op de optimale trekpatronen van de wadvogels en het derde bestaat uit het verder ontwikkelen van modellen over de populatie-dynamica van wadvogels, toegespitst op de scholekster en de kanoetstrandloper (omdat die erg goed zijn bestudeerd).
Het onderzoek wordt uitgevoerd door Bruno Ens van het Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek (nu Alterra) op Texel, samen met het Institute of Terrestrial Ecology en de universiteit van Bristol. Het onderzoek wordt uitgevoerd als onderdeel van de eerste fase van het nationale onderzoeksprogramma aan globale luchtverontreiniging en klimaatverandering (NOP). In de tweede fase van dit programma, dat tot 1999 duurt, wordt verder aan dit onderzoek gewerkt. Dan zal ook naar andere risico's gekeken worden die wadvogels lopen op de korte en lange termijn. Bovendien zal de koppeling met het ecosysteemmodel van de Waddenzee verbeterd worden. Een deel van de onderzoeken zal samenvallen met het reeds begonnen werk in het kader van de evaluatie van de Structuurnota Zee- en Kustvisserij.
Op het ogenblik bestaan verschillende speculaties over de mogelijke gevolgen voor vogels van een warmer klimaat door een broeikaseffect. Op drie vragen moet nog een antwoord komen. Welke aspecten van klimaatverandering hebben het grootste effect? Wanneer in de levenscyclus van de vogel treedt het effect op? Welke processen moeten bekeken worden en welke kunnen verwaarloosd worden?
Een groot aantal vogelsoorten heeft een hele serie ijstijden overleefd. Dat betekent dat het probleem van klimaatverandering niet zozeer de verandering zelf is, maar de verwachte snelheid waarmee het deze keer lijkt op te treden en de combinatie met op andere wijze door mensen veroorzaakte vernietiging van de natuurlijke leefomgeving van de wadvogels.
Zelfs onder vrij extreme scenario's van zeespiegelstijging zal de afname van de wadplaten in de Waddenzee in deze eeuw meevallen. De Waddenzee lijkt in staat om een zeespiegelstijging van 20 tot 60 centimeter bij te houden. Platen en kwelders zullen over het algemeen niet voorgoed onder water komen te staan. Problematisch wordt het bij een zeespiegelstijging van 85 centimeter of meer en een sterkere wind. Dan kunnen de droogvallende platen in de Waddenzee op termijn (in de orde van eeuwen) voorgoed verdwijnen.
De wadplaten vormen een belangrijke schakel in het ecosysteem van de Waddenzee. Veel wadvogels bemachtigen hun voedsel op platen die tijdens laag water droogvallen. Voor het benodigde dagrantsoen blijkt één laagwaterperiode meestal onvoldoende, zodat de vogels ook tijdens de tweede laagwaterperiode naar voedsel gaan zoeken. Een verlaging van de wadplaten betekent een verkorting van de foerageerperiode. In de praktijk blijkt dat tussen de wadplaten aanzienlijke verschillen bestaan in voedselaanbod. Niet elke plaat is voor iedere vogel even interessant. De platen met de grootste hoeveelheid bodemdieren trekken de meeste vogels. De totale biomassa van het bodemleven is op groeiende wadplaten groter dan op even grote eroderende wadplaten. Jong broed van schelpdieren houdt het op eroderende platen minder lang uit.