Bij vissen kan, net als bij vogels, onderscheid worden gemaakt tussen standvissen, trekvissen en dwaalgasten. Standvissen zijn vissen die hun gehele leven in hetzelfde gebied verblijven. Zo komen schar, wijting en pitvis het gehele jaar voor in het Noordzeegebied. Maar de meeste vissen trekken om verschillende redenen. Zo kan een vissoort vanwege een tekort aan voedsel wegtrekken naar een plaats waar meer voedsel te vinden is. Ook kan het woongebied in bepaalde perioden minder aangenaam worden door te lage of te hoge temperatuur. Zo is rode poon in de Noordzee een zomergast. Een derde reden is de voortplanting: de paaiplaatsen liggen lang niet altijd in het zeegebied waar de volwassen vis normaal leeft.
Een bijzonder geval is de voortplantingstrek van zee naar zoet water, zoals bij de stekelbaars en de zalm. Zulke vissen worden ook wel anadrome vissen genoemd. Zalmen paaien in de bovenloop van grote rivieren, meestal ver landinwaarts. Vanuit deze rivieren gaan de nog jonge dieren na 2 tot 3 jaar de zee op en trekken vaak duizenden kilometers ver weg. Bij de terugtrek om te paaien herkennen de dieren het water van hun geboorterivier aan de geur van het water.
Vier van de elf anadrome vissoorten, waaronder de steur, zijn in de loop van de tijd verdwenen uit de Nederlandse wateren. De elft was tot het voorjaar 2004 ook niet meer gezien, maar in juni van dat jaar zijn drie paairrijpe vrouwtjes aangetroffen in een fuik van een beroepsvisser in Nieuwegein. Vijf andere soorten staan op een lijst van kwetsbare vissoorten van het Trilaterale Waddenzee Overleg (bijvoorbeeld de zeeforel). De belangrijkste beperkingen voor deze soorten zijn de verslechterde toegang tot de paaigronden en het verlies van habitats. Vervuiling is waarschijnlijk ook een beperkende factor.
Met de juiste maatregelen kunnen de afnemende populaties van de kwetsbare anadrome vissoorten gered worden. Dit zijn maatregelen zoals het aanleggen van vispassages tussen het zoete en zoute water en het verbeteren van de waterkwaliteit, vooral in de zoetwater-habitats. Een voorbeeld is de vispassage in de Lek, die in september 2004 geopend is. De passage bestaat uit een 400 meter lange trap met 24 treden die steeds 15 centimeter hoger liggen. In elk bekken kunnen vissen zoals zalm, zeeforel, barbeel en paling uitrusten. De vistrap blijkt goed te werken. Inmiddels zijn alle stuwen in de Lek en de Nederrijn voorzien van vistrappen. Bij twee trappen is gecontroleerd. Opvallend waren de grote aantallen zeeprik en rivierprik. Ook de Chinese wolhandkrab, een exoot, maakt in grote hoeveelheden gebruik van de vispassages.
Voor de herintroductie van de houting, een zalmachtige, is een speciaal programma opgezet. Deze vis was rond 1930 verdwenen uit de Nederlandse wateren, vooral als gevolg van de aanleg van stuwen in de rivieren. Nu de vispassages zijn aangelegd zijn er weer kansen voor deze trekvis. Jonge houting uit Denemarken werd uitgezet in het Duitse stroomgebied van de Rijn. Nakomelingen van deze pioniers hebben inmiddels gezorgd voor een zelfstandig groeiende populatie houting in de Nederlandse wateren.
Palingen leven in zoet water. Als zij geslachtsrijp worden vertrekken zij juist naar zee. Mogelijk trekken ze naar de Sargassozee, om daar te paaien en vervolgens te sterven. Tijdens die reis eten zij niet meer. Met de Golfstroom laten de palinglarven zich naar Europa meevoeren, waar zij na 2 jaar aankomen en de rivieren optrekken. Dit is een reis heen en weer van wel 5000 kilometer! Deze gang van zaken is nooit echt bewezen: men heeft nimmer een paaiende paling in de Sargassozee gevonden. Wel zijn palinglarven aangetroffen in de gebieden tussen de Noordzee en de Sargassozee. Bovendien hebben laboratoriumproeven uitgewezen dat de paling in elk geval in theorie over voldoende vetvoorraden beschikt om de verre reis naar de Sargassozee te maken.
Dwaalgasten zijn vissoorten die 'per ongeluk' in een gebied verzeild raken waar ze eigenlijk niet thuishoren. In het Noordzeegebied komt men zo af en toe een maanvis tegen, of een reuzenhaai.