Het voormalige Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken (DGSM, nu DGG: Directoraat Generaal Goederenvervoer) van het ministerie Verkeer en Waterstaat wilde weten in hoeverre monitoring van olieslachtoffers een bruikbaar hulpmiddel was om de effectiviteit van het Milieubeleidsplan voor de Scheepvaart ter vermindering van de olielozingen op zee te meten. De tellingen die voor dit onderzoek gebruikt werden, begonnen in 1985. Het onderzoek werd uitgevoerd door de Nederlandse Zeevogelgroep onder de titel "Beached bird survey".
Het percentage met olie besmeurde vogels op de Nederlandse kust in de winters in de periode 1986-1998 is in vergelijking met de periode 1969-1985 over de hele breedte afgenomen. Deze afname wordt beschouwd als een teken dat het risico voor deze dieren om met olie in aanraking te komen, is afgenomen. Het aantal 'olievogels' dat wordt aangetroffen is overigens in vergelijking met dat in de omringende Noordzee-landen nog steeds hoog.
Bijna driekwart van de vastgestelde gevallen van olievervuiling blijken lozingen te zijn van oliemengsels. Ruwe olie van tankers of olieplatforms wordt zelden op de Nederlandse kust gevonden.
De vermindering was terug te vinden bij alle onderzochte soorten en groepen kust- en zeevogels. Ervan uitgaande dat het gedrag van de vogels niet wezenlijk is veranderd en dat hun verspreiding op zee ook niet aan belangrijke veranderingen onderhevig is geweest, concludeert de Zeevogelgroep dat vooral de hoeveelheid olie op zee bepalend is geweest voor de kans om met olie in aanraking te komen.
De onderzoekers onderscheiden drie groepen vogels. Eén groep bestaat uit de vogels die de kustwateren bewonen: duikers, futen en zee-eenden. De tweede groep bestaat uit waterwild, steltlopers en Larus-meeuwen en derde groep omvat de echt zeevogels: de Noordse Stormvogel, Drieteenmeeuw, alk en zeekoet. Wanneer het oliebevuilings-percentage wordt gezien als de kans dat een vogel dood of levend in de olie terecht komt en als deze kans bepaald wordt door de hoeveelheid olie op zee (aantal vlekken, oppervlakte olie of tonnen geloosde olie), dan is de afname in het oliebevuilings-percentage recht evenredig met de afname van de olievervuiling. Met de gestelde aannames zou volgens de vogelonderzoekers geconcludeerd kunnen worden dat de olievervuiling sinds 1986 met tenminste 20% is afgenomen.
Men stelt nu voor om een directere koppeling te maken tussen de informatie over vogelstrandingen, scheepsongelukken en het voorkomen van olievlekken. In de nabije toekomst zou de afstemming ook in internationaal verband doorgevoerd moeten worden, zodat de resultaten van de tellingen van alle Noordzee-landen direct en regelmatig kunnen worden vergeleken. In de verschillende delen van de Noordzee kan dan voortdurend een vinger aan de pols gehouden worden.