Het Nederlands Stookolieslachtoffer-Onderzoek (NSO) werd in 1977 opgezet en is tegenwoordig een activiteit van de Nederlandse Zeevogelgroep (NZG). Maar ook daarvoor werden de olieslachtoffers op het strand al geteld. Zo organiseerde de Nederlandse Jeugdbond van Natuurstudie (NJN) sinds 1960 al tellingen op het strand en zijn er gegevens van tellingen sinds 1915, officieel het eerste jaar waarin olieslachtoffers in Nederland werden aangetroffen.
Stookolieslachtoffertellingen worden door vrijwilligers verspreid over het gehele land en gedurende het gehele jaar uitgevoerd, maar de nadruk ligt op de winterperiode. Bijna driekwart van de vastgestelde gevallen van olievervuiling blijken lozingen te zijn van oliemengsels. Dat duidt op lozingen na het schoonmaken van de tanks. Ruwe aardolie, afkomstig van verongelukte tankers of ongelukken bij olieplatforms, wordt zelden op de Nederlandse kust gevonden.
Er spoelen tegenwoordig veel minder olieslachtoffers aan dan dertig jaar geleden. De vermindering is terug te vinden bij alle onderzochte soorten en groepen kust- en zeevogels. Ervan uitgaande dat het gedrag van de vogels niet wezenlijk is veranderd en dat hun verspreiding op zee ook niet aan belangrijke veranderingen onderhevig is geweest, concludeert de Zeevogelgroep dat vooral de hoeveelheid olie op zee bepalend is geweest voor de kans om met olie in aanraking te komen.