Content on this page requires a newer version of Adobe Flash Player.

Get Adobe Flash player

 

Zoek in de Encyclopedie

Dieren en planten

Vogels   Vogelbescherming   Zeevogels   Olieslachtoffers   
Oliekoet op het Texelse strand, Ecomare, Salko de Wolf

Olieslachtoffers

Een triest gezicht: zeevogels die besmeurd zijn met olie. Deze vogels kunnen niet meer drijven of duiken omdat de olie zorgt voor lekken in hun verenkleed. Door de olie klitten de veren bij elkaar, zodat het water tot op de huid kan doordringen. Meestal krijgt een olieslachtoffer dan ook te maken met onderkoeling. Slechts bij uitzondering gaat het om olie uit een gestrande tanker. Veel vaker is het olie die bewust of onbewust wordt geloosd.

  • Elk slachtoffer is er één teveel

    Het percentage met olie besmeurde vogels op de Nederlandse kust in de winters in de periode 1986-1995 is in vergelijking met de periode 1969-1985 afgenomen. Blijkbaar is de hoeveelheid olie op zee flink afgenomen, onder meer als gevolg van het MARPOL-verdrag. Het aantal 'olievogels' dat wordt aangetroffen is overigens in vergelijking met dat in de omringende Noordzee-landen nog steeds hoog. Voor de zeekoet wordt bijvoorbeeld naar minder dan 10% olieslachtoffers gestreefd, maar de teruggang is bij 50% blijven steken. Dit blijkt uit de "Beached bird survey" die door Kees Camphuysen in opdracht van het ministerie van Verkeer en Waterstaat werd uitgevoerd.

  • Contact met de olie: kou vatten of verdrinken
    Zeekoet, besmeurd met zware stookolie, Ecomare, Salko de Wolf

    Komt een vogel in contact met olie dan hoeft deze niet meteen te sterven. Het verenpak van de vogel is echter niet meer waterdicht. Het dier verliest zijn warmte-isolatie en vat kou. Het drijfvermogen neemt ook af, de vogel kan zelfs verdrinken. Ook is bekend dat bij het bebroeden van eieren door een met olie besmeurde vogel de kans op uitkomen verkleint. Vooral de soort olie, het jaargetijde en de plaats van de olieverontreiniging bepalen de omvang van de schade. Zo blijft zware ('dikke') olie langer op het wateroppervlak drijven dan lichte olie, die sneller verdampt en door natuurlijke menging in de waterkolom terechtkomt. Een zware olievlek kan daardoor langer schade aanrichten aan vogels en ander zeeleven. Aan de Nederlandse kust worden de meeste olieslachtoffers 's winters aangetroffen.
    De lagere temperatuur, regelmatig voorkomende stormen en de geringere beschikbaarheid van voedsel in de wintermaanden betekenen op zich al een beproeving voor de vogels. Vooral de laatste jaren spoelen steeds meer licht met olie besmeurde vogels aan die totaal vermagerd waren. Olie is in deze gevallen vermoedelijk niet de directe doodsoorzaak geweest.
    De winter met de vaak stormachtige wind en korte dagen is de tijd van het jaar waarin noodgedwongen het minst gecontroleerd kan worden op illegale olielozingen van schippers. Iedere schipper die wat olie loost op de Noordzee weet dat hij vrijwel niet gepakt kan worden omdat bewijsvoering onmogelijk wordt als de controle pas na het liggen van de storm hervat kan worden.
    De plaats van de olievervuiling is ook belangrijk. Zo kan een kleine olievlek in een vogelrijk gebied veel meer slachtoffers eisen dan een grote vlek elders. Tussen 1975 en 1985 zijn de aantallen olieslachtoffers onder met name drieteenmeeuw, alk en zeekoet sterk toegenomen. Dit is waarschijnlijk een gevolg van een veranderde winterverspreiding van deze soorten. Ze overwinteren nu in de zwaar bevuilde zuidelijke Noordzee. Ook duikers, futen, jan van genten en zwarte zee-eenden spoelen regelmatig als olieslachtoffer aan.
    Zeevogelsoorten die zich geregeld op het wateroppervlak bevinden, zijn het meest kwetsbaar. Ze kunnen in een olievlek zwemmen of - na een diepe duik - bovenkomen. De zeekoet is heel gevoelig voor olieverontreiniging. De dieren zijn permanent op zee, behalve een korte periode in de zomer als de jongen op steile kliffen worden uitgebroed. Zeekoeten brengen de meeste tijd zwemmend door en doordat ze overwinteren op de drukbevaren Noordzee komen jaarlijks grote aantallen in contact met olie. Een extra risico lopen zeekoeten en alken na de broedtijd. De oudervogels ruien in die tijd - alle slagpennen tegelijk - en kunnen dan niet vliegen. De kuikens springen al in zee voordat ze kunnen vliegen. Ouders en jongen kunnen zo honderden kilometers over zee zwemmen voor ze (weer) kunnen vliegen. Wegvliegen voor een olievlek is er dan dus niet bij.

  • Vogels opvangen
    Zeekoet in vogelwasser, Ecomare, Salko de Wolf

    een zeekoet wassen in een vogelwasser
    Jaarlijks spoelen tienduizenden olieslachtoffers onder de zeevogels aan op de kust. Dit is meestal maar een klein deel van het totale aantal door olie getroffen vogels; de meesten spoelen nooit aan. De nog levende exemplaren kunnen terecht bij speciale vogel-opvangcentra. Deze hebben voorzieningen en richtlijnen voor de opvang van olievogels. Ecomare op Texel is zo'n vogelopvangcentrum. Jaarlijks worden daar ongeveer 500 vogels opgevangen. Vooral 's winters worden veel aan de kust aangespoelde olieslachtoffers bij de kustasielen binnengebracht. Andere grotere opvangcentra zijn er in Middelburg, Rotterdam, Haarlem en Anjum.
    Indien mogelijk worden deze vogels gewassen met een speciaal wasmiddel. Daarna moeten ze op krachten komen en zorgen dat hun verenkleed weer waterdicht wordt. Na gemiddeld 2 maanden kunnen ze op de Noordzee worden vrijgelaten. Opvangen van vogels is dweilen met de oliekraan open. Het is natuurlijk veel belangrijker dat de olievervuiling stopt.

  • Onderzoek naar olieslachtoffers

    Het voormalige Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken (DGSM, nu DGG: Directoraat Generaal Goederenvervoer) van het ministerie Verkeer en Waterstaat wilde weten in hoeverre monitoring van olieslachtoffers een bruikbaar hulpmiddel was om de effectiviteit van het Milieubeleidsplan voor de Scheepvaart ter vermindering van de olielozingen op zee te meten. De tellingen die voor dit onderzoek gebruikt werden, begonnen in 1985. Het onderzoek werd uitgevoerd door de Nederlandse Zeevogelgroep onder de titel "Beached bird survey".
    Het percentage met olie besmeurde vogels op de Nederlandse kust in de winters in de periode 1986-1998 is in vergelijking met de periode 1969-1985 over de hele breedte afgenomen. Deze afname wordt beschouwd als een teken dat het risico voor deze dieren om met olie in aanraking te komen, is afgenomen. Het aantal 'olievogels' dat wordt aangetroffen is overigens in vergelijking met dat in de omringende Noordzee-landen nog steeds hoog.
    Bijna driekwart van de vastgestelde gevallen van olievervuiling blijken lozingen te zijn van oliemengsels. Ruwe olie van tankers of olieplatforms wordt zelden op de Nederlandse kust gevonden.
    De vermindering was terug te vinden bij alle onderzochte soorten en groepen kust- en zeevogels. Ervan uitgaande dat het gedrag van de vogels niet wezenlijk is veranderd en dat hun verspreiding op zee ook niet aan belangrijke veranderingen onderhevig is geweest, concludeert de Zeevogelgroep dat vooral de hoeveelheid olie op zee bepalend is geweest voor de kans om met olie in aanraking te komen.
    De onderzoekers onderscheiden drie groepen vogels. Eén groep bestaat uit de vogels die de kustwateren bewonen: duikers, futen en zee-eenden. De tweede groep bestaat uit waterwild, steltlopers en Larus-meeuwen en derde groep omvat de echt zeevogels: de Noordse Stormvogel, Drieteenmeeuw, alk en zeekoet. Wanneer het oliebevuilings-percentage wordt gezien als de kans dat een vogel dood of levend in de olie terecht komt en als deze kans bepaald wordt door de hoeveelheid olie op zee (aantal vlekken, oppervlakte olie of tonnen geloosde olie), dan is de afname in het oliebevuilings-percentage recht evenredig met de afname van de olievervuiling. Met de gestelde aannames zou volgens de vogelonderzoekers geconcludeerd kunnen worden dat de olievervuiling sinds 1986 met tenminste 20% is afgenomen.
    Men stelt nu voor om een directere koppeling te maken tussen de informatie over vogelstrandingen, scheepsongelukken en het voorkomen van olievlekken. In de nabije toekomst zou de afstemming ook in internationaal verband doorgevoerd moeten worden, zodat de resultaten van de tellingen van alle Noordzee-landen direct en regelmatig kunnen worden vergeleken. In de verschillende delen van de Noordzee kan dan voortdurend een vinger aan de pols gehouden worden.