Speciaal voor de lepelaars op het eiland heeft Staatsbosbeheer in 1995 in de waddendijk bij de Cocksdorp op Texel een hevelpassage voor driedoornige stekelbaarsjes gebouwd. Twee jaar later kwam voor het zelfde doel een vistrap tot stand tussen de Moksloot en de Mokbaai. Stekelbaarzen trekken naar zoet water om te paaien en vormt daar een belangrijke voedselbron voor moerasvogels. Op Texel kon de stekelbaars echter nergens meer intrekken als gevolg van inpolderingen en de Deltawerken.
De hevelpassage zit in nauw verbinding met het werking van de gemaaltje bij de Cocksdorp. Als er zoet water wordt gespuid, trekt dit grote hoeveelheden stekelbaarsjes aan. De vis wordt met een zoetwaterstroom naar een opvangbak gelokt, en van daaruit met een hevel over de dijk gezogen. Daarna kan de vis via de Roggesloot de polder in trekken. De hevel wordt automatisch bediend vanuit het gemaal.
Tijdens het proefdraaien, vroeg in 1996, zette men met de hevel al 40.000 stekelbaarsjes over. Het aantal stekelbaarsjes in de Texelse sloten nam tijdens die periode al meetbaar toe. Driedoornige stekelbaarsjes trekken als jonge vis naar zee, maar zoeken het zoete water weer op als ze geslachtsrijp zijn. De vis kan echter ook gewoon in het zoetwatermilieu blijven, maar blijft dan veel kleiner: een zoetwater-stekeltje weegt ongeveer 0,6 gram, en een trekkende soortgenoot 2,5 gram.
Voor de lepelaars betekent de passage dat er eerder voedsel beschikbaar is. Tot 1996 vonden de terugkerende lepelaars nog zo weinig voedsel op Texel, dat het broeden op het eiland pas enkele weken later op gang kwam, in vergelijking met andere broedkolonies.
Niet alleen de driedoornige stekelbaars profiteert van de passage. Ook de glasaal (jonge paling) trekt van zout naar zoet water, en wordt daarbij aangetrokken door uitstromend zoet water. Men verwacht dat ook de palingstand op het eiland zal verbeteren door het openstellen van de passage.
Staatsbosbeheer wilde het niet laten bij deze ene installatie. Bij de broedkolonie in de Geul, de zuidelijkste op het eiland, was er ook sprake van een tekort aan stekeltjes. Men heeft daarom ook een vistrap aangelegd tussen de Mokbaai en het binnenwater in de Geul.
Doordat de hevelpassage zoveel water verbruikte om stekelbaarsjes te lokken (350 kubieke meter water per dag) werd deze na een jaar stilgelegd. Het water was namelijk nodig voor de landbouw. Bovendien kwam afvalwater, niet geschikt voor vissen, uit de rioolwaterzuiveringsinstallatie ook terecht in de passage. Het hoogheemraadschap vond een oplossing. Het afvalwater komt nu in een voorbezinkvijver terecht. Daarin groeien watervlooien, voer voor stekelbaarsjes, heel goed. Het water wordt via een moerassysteem gezuiverd en komt in een diepere vijver terecht, waar stekelbaarzen in kunnen groeien. Omdat het afvalwater nu in oppervlaktewater is omgezet, kan dat gebruikt worden om de stekelbaarzen te lokken via de hevelpassages. De watervlooien worden vervolgens uit de voorbezinkvijver geschept en in de stekelbaarsvijver gestopt, zodat de vissen goed kunnen groeien. Daar kunnen vervolgens weer lepelaars van profiteren.
In 2000 is ook op Terschelling een vispassage gemaakt. In de sluizen zijn zogenaamde klepduikers aangebracht, die hebben geleid tot een sterk vergrote intrek van stekelbaarsjes en paling. Vooral de lepelaar profiteert hiervan.