De waterstand aan de Nederlandse kust wordt voor een deel bepaald door het getij, maar ook voor een deel door de wind. Zo is de waterstand in de Waddenzee bij harde oostenwind lager dan normaal. Als storm en hoogwater samen vallen, kan een stormvloed ontstaan. In de rivieren wordt de waterstand bepaald door de neerslag in het stroomgebied, het smelten van sneeuw en ijs bij de bron en (in gestuwde rivieren) de snelheid van afvoer van het rivierwater. In polders regelt men de waterstand met behulp van gemalen en sluizen.
In Nederland worden alle waterstanden uitgedrukt in centimeters ten opzichte van Normaal Amsterdams Peil (NAP). In Amsterdam zijn in de zeventiende eeuw marmeren stenen ingemetseld in de muren van acht sluizen. Die stenen liggen in één vlak, en 8 voet en 5 duim lager lag het Amsterdams Peil, dat overeenkwam met het gemiddeld hoogwater in het IJ in die dagen. In de loop der eeuwen is dit vlak in heel Nederland in gebruik gekomen als basis voor het uitdrukken van de waterstand en bodemhoogte. In mei 2004 is het NAP 2 centimeter bijgesteld, omdat het lager bleek te liggen dan in het begin van de vorige eeuw. Dit komt omdat Nederland kantelt.