Content on this page requires a newer version of Adobe Flash Player.

Get Adobe Flash player

 

Effect van de maan op de waterstand, Ecomare

Getijden en waterstanden

Het getij is de dagelijkse op- en neergaande beweging van de zee. Deze beweging wordt vooral veroorzaakt door de aantrekkingskracht van de maan. In de Noordzee is het ongeveer twee keer per dag hoogwater en twee keer laagwater. De periode tussen hoogwater en laagwater heet eb. Vloed is de periode tussen laagwater en hoogwater. Het tijdstip van hoog en laagwater is in elke kustplaats anders.

  • Invloed van maan en aarde

    Het getij is een complex verschijnsel. De maan heeft de grootste invloed op het getij. Door de aantrekkingskracht van de maan ontstaat een hoge waterstand aan de kant van de aarde waar de maan staat (zie bovenstaande figuur). Aan de andere kant ontstaat ook een hoge waterstand, maar dit heeft te maken met de beweging van de maan en de aarde om elkaar heen. De maan draait niet simpelweg om de aarde, maar maan en aarde draaien samen om een gemeenschappelijk punt, dat niet in het middelpunt van de aarde ligt. Hierdoor wordt het water aan de van de maan afgekeerde zijde als het ware van de aarde af geslingerd.
    Omdat de aarde ondertussen ook zelf ronddraait, verplaatst de verhoogde waterstand zich over de aarde: "de aardkorst draait onder de verhoogde waterstand door". Op een vaste plek langs de kust zou je daarom twee keer per dag hoogwater en twee keer laagwater op een vaste tijd verwachten. Door de rotatie van de aarde en de maan om een gemeenschappelijk punt schuift het moment van hoog- en laagwater echter elke dag ongeveer 50 minuten naar voren.

  • Eb en vloed

    De periode tussen hoogwater en laagwater wordt eb genoemd. Aan het begin van de eb is het dus hoogwater. Zeevarenden bedoelen met 'de eb' doorgaans een stroming. Zij varen bijvoorbeeld met de eb het zeegat tussen Vlieland en Terschelling uit. Vaak wordt het woord 'eb' ook gebruikt in de betekenis van laagwater. Keersluizen staan bijvoorbeeld vaak 'ij eb' open om het polderwater naar zee te lozen.
    Vloed is de hele periode tussen laagwater en hoogwater. Aan het begin van de vloed kan je dus nog over de wadplaten lopen. Een zeiler vaart 'met de vloed' van Scheveningen naar Den Helder omdat hij dan de hele reis stroom mee heeft. Maar de term 'vloed' wordt ook vaak gebruikt in de betekenis van hoogwater: "Met vloed werden verschillende meters duin afgeslagen".

  • Springtij en doodtij
    Ontstaan van springtij en doodtij, Ecomare

    Naast de maan heeft ook de zon een grote invloed op het getij. Als de zon en de maan op één lijn met de aarde staan, wordt er extra hard aan het water getrokken. Hierdoor ontstaat extra hoog water en extra laagwater. Dit heet springtij. Als de zon en de maan elkaar tegenwerken, doordat de zon haaks op de aarde en maan staat, is het water minder hoog en minder laag. Dit heet doodtij. In de grafiek hieronder zijn doodtij en springtij te zien bij Vlissingen.

  • Getij in de Noordzee
    Getijdengolf in de Noordzee, Ecomare

    De getijdegolf in de Noordzee is afkomstig uit de Atlantische Oceaan. Na ongeveer een dag is deze golf bij de Nederlandse kust. In de Noordzee draait de getijdengolf, van bovenaf gezien tegen de richting van de klok, om een aantal centrale punten. Dit wordt door de draaiing van de aarde veroorzaakt (Coriolis effect). Het centrum van zo'n wervel (amfidroom) beweegt amper. Er is hier ook weinig getijverschil. In de Noordzee liggen drie van dergelijke wervels: in de noordoostelijke Noordzee, in de westelijke centrale Noordzee en in het Kanaal. De wervel in het centrale deel van de Noordzee heeft het meeste effect op de getijden in de Waddenzee.
    In Nederland komt de getijdegolf eerst in Vlissingen aan, waarna hij zich naar het noorden verplaatst. Pas een uur of acht later is hij bij Schiermonnikoog (zie de grafiek). De hoogte van het getij heeft te maken met de afstand tot het centrum van de wervel.

  • Getij in de Waddenzee

    Tijdens vloed stroomt het platengebied in de Waddenzee geleidelijk onder water. Tijdens eb vallen de zandplaten droog. De getijdenbeweging op de Waddenzee is in de loop van de tijd behoorlijk veranderd. De twee meest ingrijpende veranderingen zijn het afsluiten van de Zuiderzee in 1932 en van de Lauwerszee in 1969. Bovendien is door de aanleg van dijken het getijdengebied tussen de waddeneilanden en de vastelandskust verkleind. Dit heeft invloed op de stroomsnelheid van het water en het zandtransport. Hierdoor zijn blijvende veranderingen opgetreden in de samenstelling van de wadbodem, wat weer invloed heeft op de dieren en planten die in het gebied kunnen voorkomen.
    De tijden van hoog- en laagwater zijn van te voren uit te rekenen. Er zijn voor het hele jaar getijdentabellen beschikbaar die de tijden van hoog- en laagwater en de verwachte waterstanden geven (zie de weblinks).

  • Waterstanden

    De waterstand aan de Nederlandse kust wordt voor een deel bepaald door het getij, maar ook voor een deel door de wind. Zo is de waterstand in de Waddenzee bij harde oostenwind lager dan normaal. Als storm en hoogwater samen vallen, kan een stormvloed ontstaan. In de rivieren wordt de waterstand bepaald door de neerslag in het stroomgebied, het smelten van sneeuw en ijs bij de bron en (in gestuwde rivieren) de snelheid van afvoer van het rivierwater. In polders regelt men de waterstand met behulp van gemalen en sluizen.
    In Nederland worden alle waterstanden uitgedrukt in centimeters ten opzichte van Normaal Amsterdams Peil (NAP). In Amsterdam zijn in de zeventiende eeuw marmeren stenen ingemetseld in de muren van acht sluizen. Die stenen liggen in één vlak, en 8 voet en 5 duim lager lag het Amsterdams Peil, dat overeenkwam met het gemiddeld hoogwater in het IJ in die dagen. In de loop der eeuwen is dit vlak in heel Nederland in gebruik gekomen als basis voor het uitdrukken van de waterstand en bodemhoogte. In mei 2004 is het NAP 2 centimeter bijgesteld, omdat het lager bleek te liggen dan in het begin van de vorige eeuw. Dit komt omdat Nederland kantelt.