Een liter Noordzeewater bevat 31 tot 35 gram zout, 11,7 kubieke centimeter stikstof (N2), 6,4 kubieke centimeter zuurstof (O2) en 0,31 kubieke centimeter kooldioxide (CO2). Het kustwater in de Noordzee is door zwevend zand, slik, opgeloste stoffen en plankton troebel.
In zeezout zit vooral natriumchloride, maar daarnaast ook andere zouten als magnesiumsulfaat, calciumcarbonaat, kaliumbromide, strontiumzouten en fluoriden. Er zit ook ijzer, mangaan, koper, zink, molybdeen, vanadium en kobalt in. In zeewater zit zelfs een heel klein beetje goud. De winning van dit goud kost meer dan dat het opbrengt. Door het zout is zeewater zwaarder dan zoet water. Het bevriest pas bij -2 graden, terwijl zoet water bij 0 graden bevriest. In zee-ijs zit minder zout dan in zeewater, zodat het blijft drijven. Het zout van de zee komt uit gesteenten, de verwering van de continenten en uit hete bronnen op de oceaanbodem. De koolstofverbindingen in het zeewater zijn van groot belang voor de stoffenhuishouding van de aarde. Er zit zo veel kooldioxide (CO2), koolzuur (H2CO3) en hydrocarbonaat (HCO3) in zeewater, dat de zee als een koolstofbuffer werkt voor de hele aarde.