Content on this page requires a newer version of Adobe Flash Player.

Get Adobe Flash player

 

Zoek in de Encyclopedie

Wadvogels

aantal soorten:

ongeveer 35, waaronder veel sterns, meeuwen, steltlopers, ganzen en eenden

afmetingen en gewicht:

grootste wadvogel (wulp): maximaal 60 centimeter, 1 kilo en spanwijdte van 1 meter

vijanden:

de mens (toerisme, visserij, vervuiling) en ziektes

voedsel:

schelpdieren, kreeftachtigen, vis  en wormen

Kanoetstrandlopers, scholekster, Jeroen Reneerkens (jeroenreneerkens@hetnet.nl)

Wadvogels

Overal in de wereld zijn op het grensgebied van zee en land veel vogels te vinden. Dat is niet zo verwonderlijk, want kustgebieden zijn vaak rijk aan voedsel. De Waddenzee is een goed voorbeeld. Naar schatting tien miljoen vogels maken jaarlijks gebruik van dit gebied. Sommige vogelsoorten verblijven er het hele jaar, andere komen er alleen om te broeden of te overwinteren. Weer andere zijn op doortrek.

  • (Wad)vogelbescherming

    Over de bescherming van dergelijke vogelsoorten zijn internationale afspraken gemaakt op de conferentie van Ramsar. Deze afspraken houden in dat wanneer tenminste 1% van de wereldpopulatie van een bepaalde vogelsoort in een gebied voorkomt, in dat gebied speciale maatregelen moeten worden genomen om deze vogelsoort te beschermen. In het waddengebied komen veel soorten voor die op deze lijst thuishoren.
    De Waddenzee is vooral voor steltlopers, zoals rosse grutto's, van groot belang. Broedvogels uit het noordpoolgebied trekken na de broedtijd naar Afrika en in het voorjaar komen ze terug. Sommige soorten leggen twee maal per jaar afstanden af van meer dan 5000 kilometer! Halverwege de trekroute ligt de Waddenzee. Het is een van de weinige gebieden waar de vogels onderweg voldoende voedsel kunnen vinden om kracht op te doen voor het vervolg van hun reis. Daarom is de bescherming van de Waddenzee van wereldwijde betekenis.
    Uit onderzoek van het NIOZ blijkt dat het met een groot aantal soorten niet goed gaat. Vooral vogels die schelpdieren eten zoals de scholekster, de eidereend en de kanoet hebben het moeilijk. Vogels die wormen eten nemen juist in aantal toe. De meest aannemelijke oorzaak voor deze veranderingen zijn de overmatige schelpdiervisserij op schelpdieren in combinatie met een natuurlijke slechte broedval. Het lijkt erop dat op de beviste plekken de wormen in aantal toegenomen zijn, waardoor er meer voedsel beschikbaar kwam voor de wormenetende vogels.
    Het is voor schelpdieren etende vogelsoorten soms wel mogelijk om op andere soorten over te schakelen, maar dat zal niet snel gaan. Na het verdwijnen van mosselbanken gingen zilvermeeuwen, eidereenden en scholeksters geleidelijk de inmiddels sterk toegenomen Amerikaanse zwaardschede eten. Inmiddels hebben scholeksters ook geleerd gebruik te maken van de grote hoeveelheden Japanse oester. Volwassen dieren kunnen ze niet open krijgen, die zijn veel te sterk. Maar als een oester van minder dan tien centimeter een tijdje boven water ligt, verslappen de spieren zodat een scholekster de schelp wel open kan krijgen.
    Er zijn vijf grote groepen wadvogels: steltlopers, ganzen, eenden, meeuwen en sterns.

  • Steltlopers

    De steltlopers zijn het talrijkst. Vele duizenden scholeksters, tureluurs, wulpen, rosse grutto's en diverse soorten strandlopers en plevieren bevolken jaarlijks voor korte of langere tijd de Waddenzee en het deltagebied. Ze eten met laag water allerlei bodemdieren.

  • Ganzen

    Ganzen als de rotgans en de brandgans zijn in de kustgebieden van de Noordzee voornamelijk wintergasten, die op de kwelders grazen. De Waddenzee vormt samen met het deltagebied de belangrijkste overwinteringsplaats voor de brandgans. In de tweede helft van maart trekken deze ganzen via de Duitse wadden en de Oostzee naar hun broedgebieden bij Nova Zembla.

  • Eenden

    Eendensoorten als smienten, wintertalingen, bergeenden en eidereenden voelen zich ook goed thuis in het waddengebied. De meeste eenden eten dierlijk voedsel, voornamelijk bodemdieren. De enige vegetariër is de smient, die kwelderplanten en zeewier eet.

  • Meeuwen

    De zilvermeeuw en de kokmeeuw zijn de meest opvallende meeuwen in Nederland. Meeuwen zijn alleseters, die weten te profiteren van allerlei menselijke afvalbronnen om hun natuurlijk dieet (vis, schelpdieren, krabben, zeesterren) aan te vullen. Het is echter wel zo dat hun natuurlijke voedsel een belangrijke deel van hun dieet moet zijn om sterk te blijven.

  • Sterns

    Sterns zijn in het Noordzeegebied typische zomergasten. In april en mei komen ze naar de Noordzee om te broeden, en in de maanden augustus en september trekken ze weer weg naar het zuiden. De visdief en de noordse stern broeden verspreid in kolonies langs de hele Noordzeekust, terwijl de grote stern alleen in het zuidelijke, zandige deel van de Noordzeekust voorkomt.

  • Leven in het kustgebied

    In het getijdengebied zijn de milieuomstandigheden voor vogels anders dan die op het land. Zo krijgen wadvogels met iedere hap voedsel ook zout naar binnen. Bij een eidereend is dat wel 50 gram zout per dag. Zoveel zout kunnen de nieren niet verwerken. Wadvogels scheiden het op een andere manier uit. Boven de ogen hebben ze klieren, die het teveel aan zout uit het bloed verwijderen. Getijdengebieden zijn natuurlijk ook natte milieus. Om zich warm en droog te houden hebben wadvogels een waterwerend verenkleed: de veren sluiten perfect om elkaar heen en zijn overdekt met een waterafstotend vet, de talg.

  • Eten bij laag water

    In en op de wadbodem komen bodemdieren in grote aantallen voor: soms meer dan 1 kilo 'vlees' per vierkante meter. Dit voedsel is voor de meeste wadvogels alleen met laag water bereikbaar. Het dagelijks ritme van de meeste wadvogels wordt dan ook niet bepaald door dag en nacht, maar door eb en vloed. Als het hoogwater wordt, trekken ze in grote zwermen naar plaatsen die niet overstromen, de zogeheten hoogwatervluchtplaatsen. Alleen de sterns en de duikende eendensoorten en aalscholvers kunnen ook met hoogwater naar voedsel zoeken.

  • Specialisten

    Verschillende soorten wadvogels hebben elk hun eigen methodes om voedsel te verzamelen. Daarbij speelt de vorm van de snavel een belangrijke rol. De scholekster heeft een beitelvormige snavel, waarmee hij schelpdieren kan openen. De wulp gebruikt zijn lange, omlaaggebogen snavel als een pincet: bodemdieren kunnen er goed mee worden vastgehouden en losgerukt. De dunne, iets opgewipte en horizontaal afgeplatte snavel van de kluut is geschikt om een horizontale maaibeweging mee door het slik te maken.
    Steltlopers met een lange snavel sporen hun prooi zowel op de tast als met het oog op. Veel bodemdieren laten sporen na en de vogels zien dat. Op veelbelovende plekjes worden proefprikjes gemaakt. Daarbij komen de fijne tast- en smaakzintuigen op de snavelpunt goed van pas. De opgespoorde wormen en schelpdieren worden zodanig vastgepakt dat ze heel uit de grond komen.
    Plevieren vangen hun prooi uitsluitend op het zicht. Hun snavels lenen zich alleen voor oppervlakkig pikwerk. Met hun scherpe ogen kunnen ze zelfs tijdens maanverlichte nachten voedsel vinden.
    Sterns en aalscholvers zijn helemaal ingesteld op het vangen van vis. Sterns duiken vanuit de lucht naar hun prooi. De lange, puntige vleugels en de beweeglijke staartveren zorgen voor een grote wendbaarheid. Aalscholvers jagen zwemmend onder water op vis.

  • Concurrentie

    Over een heel jaar genomen zijn er alleen al in het Nederlandse deel van de Waddenzee gemiddeld zo'n 700.000 wadvogels aanwezig. Al deze vogels moeten eten. Dit kan ertoe leiden dat de ene vogel het voedsel voor de snavel van de andere vogel wegkaapt. De verschillende wadvogelsoorten hebben echter ook verschillende aanpassingen om hun voedsel te vinden, en daarom ondervinden ze weinig directe concurrentie van elkaar.

  • Mensen en wadvogels

    De vogels van het kustmilieu hebben veel met mensen te maken. Wadvogels zijn populair bij mensen, en de indrukwekkende vogelzwermen worden zeer gewaardeerd. Meeuwen en ganzen worden soms bestreden omdat ze schade toebrengen aan de natuur of landbouwgewassen.
    Ook vervuiling van hun leefgebied met olie en giftige stoffen, inpolderingen, visserijactiviteiten, delfstoffenwinning en de toenemende recreatie brengen de wadvogels in de problemen.

  • Schelpdiervisserij

    Veel soorten wadvogels zijn afhankelijk van het eten van schelpdieren. Maar ook de mens vist aanzienlijke hoeveelheden schelpdieren op. In Nederland is de mosselvisserij een eeuwenoud bedrijf. De vissers halen jonge mosselen van de natuurlijke mosselbanken om ze op speciale percelen te kweken. Zo worden in de Oosterschelde en de Waddenzee mosselen gekweekt. Tot 2005 werd er in de Waddenzee ook op kokkels gevist maar dit is in 2004 verboden omdat het te veel schade aan de natuur aanrichtte.

  • Rustverstoring

    Het wordt steeds drukker in de voedsel- en rustgebieden van de wadvogels. Allerlei toeristische activiteiten leiden tot verstoring. Vooral in de zomer, de tijd dat veel vogels ruien, is het aantal recreanten groot. De vogels moeten steeds weer opvliegen en gebruiken dan veel energie, die eigenlijk onmisbaar is voor de vernieuwing van het verenkleed en voor de trek. Zorgelijk is de tendens dat nog steeds schippers hun boot op plekken op het wad laten droogvallen, waar veel vogels foerageren. De opvarenden die de wadplaten betreden zorgen voor verstoring. Juist met laag water kunnen de vogels bij hun voedsel, zodat deze verstoring hard aankomt. Er is sinds 2003 een duidelijke erecode voor wadvaarders waarmee men dit soort verstoring probeert te voorkomen. Trekvogels zijn ook gevoelig voor verstoring door militaire oefeningen, die een deel van de Waddenzee onrustig maken.

  • Gevolgen van een strenge winter
    Massaal aangespoelde zwaardschedes en spisula's, Foto Fitis, www.fotofitis.nl.

    In de winter is het stil in de Waddenzee vergeleken met de periode van massale doortrek in het najaar. In de winter blijven vooral de grotere soorten in de Waddenzee achter. Bijna de helft van de overwinterende steltlopers bestaat uit scholeksters. Alleen bij strenge vorst trekken de vogels weg, maar zelfs dan nog blijven veel scholeksters.

    Massaal aangespoelde zwaardschede's en spisula's na een periode van strenge vorst.
    De strenge winter van 1995-1996 leende zich goed om te bekijken hoe de wad- en kustvogels op dit soort omstandigheden reageren. Tellingen van het Rijksinstituut voor Kust en Zee uit februari 1996 toonden aan dat bijvoorbeeld de eidereenden zich op de grotendeels bevroren Waddenzee redelijk goed konden handhaven. Dankzij de harde oostenwind bleven grote wakken aanwezig, waarin zich aanzienlijke aantallen vogels ophielden. Het aantal eidereenden lag begin februari op het normale winterniveau van 120.000. Verder werden zo'n 30.000 toppereenden geteld, die eigenlijk op het IJsselmeer thuishoren. In de overige kustwateren bevonden zich 24.000 eidereenden, 30.000 zwarte zee-eenden, 3500 grote zaagbekken, 2000 middelste zaagbekken, 4000 brilduikers en vele duizenden futen.
    In maart 1996 zijn de meeste eidereenden in het waddengebied gebleven. Ze zaten alleen niet zoals gebruikelijk vooral ten noorden van Terschelling, maar rond Schiermonnikoog. De meeste zwarte zee-eenden die door het drijfijs aan de Noordzee-kant van de waddeneilanden verdreven waren naar de Hollandse en Zeeuwse kust en de Franse noordwestkust, kwamen eind maart weer terug naar de Voordelta.
    Volgens de Vogelbescherming was deze winter ongeveer de helft van de normale winterpopulatie scholeksters in de Waddenzee (ongeveer 200.000) uitgeweken naar noord-Frankrijk en is een deel daarvan omgebracht door jagers in dat gebied. In het waddengebied zouden enkele duizenden scholeksters omgekomen zijn door de vorst en gebrek aan voedsel. Langs de Noordzee-kust tussen Schoorl en Den Helder gaat het vooralsnog om enkele honderden winterslachtoffers. Naast scholeksters zijn het steenlopers, IJslandse tureluurs, bergeenden en enkele soorten strandlopers.
    In de -eveneens strenge- winter van 1996-1997 trokken wederom de meeste steltlopers weg uit het waddengebied. Veel scholeksters zochten hun heil in de deltawateren, maar ook daar was er weinig voedsel voorhanden. Dit als gevolg van het dichtvriezen van de Oosterschelde en overbevissing van de kokkels in de Westerschelde. Een massale sterfte van scholeksters en andere steltlopers was het gevolg. Alleen vogels die leven van kleine kokkeltjes, zoals bergeenden, bleken voldoende overlevingskansen te hebben.

  • Dood gevonden vogels na een strenge winter:
    Soort 1997 1996 1991 1987
    scholekster 7300 2500 2200 3200
    bonte strandloper 1550 53 640 291
    tureluur 710 177 329 110
    zilverplevier 735 23 101 16
    kanoetstrandloper 310 23 152 137
    steenloper 150 16 76 70
    wulp 185 249 295 35
    bergeend 162 523 749 119
    rosse grutto 29 9 5 16
    drieteenstrandloper 19 2 66 2
    bron: Baptist en Meininger in Zoutkrant 11-1
  • Wadvogels: veranderingen vanaf 1975

    De internationale Waddenzee trekt jaarlijks zo'n 10 tot 12 miljoen watervogels. Een groot deel van deze vogels is voor zijn voedsel afhankelijk van de bodemfauna van wadplaten en geulen. Vanaf 1975 is het aantal exemplaren van een groot aantal vogelsoorten wetenschappelijk geteld. Hierbij valt op dat vanaf 1990-1991 vooral de schelpdieretende vogels, zoals de eidereend, de scholekster, de kanoet en de zilvermeeuw in aantal achteruit zijn gegaan, terwijl een aantal wormenetende vogels zoals de bontbekplevier, zilverplevier, drieteenstrandloper, bonte strandloper en rosse grutto in aantal toegenomen is.
    De achteruitgang van de scholekster heeft te maken met het verdwijnen van wilde mosselbanken aan het begin van de jaren negentig. De mosselbanken verdwenen als gevolg van overbevissing, verminderde broedval van de mosselen en mogelijk ook door stormen. Hierdoor moesten de scholeksters overschakelen op kokkels, die ook door de kokkelvisserij werden geoogst. Ook de eidereend en de zilvermeeuw hebben waarschijnlijk te lijden van een verminderd voedselaanbod. Waarom de wormeneters in aantal toenemen is nog niet zo duidelijk. Het kan eraan liggen dat er meer ruimte is voor wormen op het wad, omdat de schelpen zijn weggevist. Een andere veronderstelling is dat de samenstelling van het sediment na de bevissing gunstiger is geworden voor wormen dan voor schelpdieren.